Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koning en de landvoogdes, en riep Oranje en Egmond te hulp. Hij bleef in de Nederlanden, ook na een tweede verbanningsbesluit, en herhaalde telkens zijn protesten, waarop de Koning tot ergernis'van Granvelle wel zijn verbanning handhaafde en dan een proces voor het parlement te Dole toestond, maar als Renard's „gezondheidstoestand" dit belette, zou de Geheime Raad of een bijzondere commissie zijn zaak te Brussel zelf onderzoeken. Zoo bleef Renard in de Nederlanden. Zelfs de landvoogdes en Viglius hadden Granvelle in deze zaak, ook naar hunne meening uit persoonlijke vijandschap voortspruitend, niet willen steunen en de toenoemende impopulariteit van den kardinaal veroorzaakte overal zekere voldoening over den afloop van diens strijd tegen zijn ouden vijand, die inderdaad zeer geheime betrekkingen met Oranje en de andere heeren onderhield.

Te midden van dat alles begon de beweging op godsdienstig gebied in de Nederlanden bedenkelijk toe te nemen. De „gemeine mann", schrijft graaf Ludwig, ijverig Lutheraan, in Mei uit Middelburg aan landgraaf Wilhelm van Hessen, houdt groote bijeenkomsten, waarin op klaarlichten dag wordt gepredikt en gezongen; „drencken noch hencken" helpt, tot wanhoop van de kardinalistën: „in summa die Reiigion will platz haben, dweil der gottliche eiffer vorhanden ist". In Juni spreekt hij van openlijke bijeenkomsten van 5, 6, 8000 personen; een volksopstand dreigt, zegt hij, tegenover het optreden der door de landvoogdes op hen afgezonden troepen, waartegen de Grooten met ernst protesteerden als hoogst Onvoorzichtig tegenover „disse arme Gristen". Uitingen als deze wijzen duidelijk op een begin van ommekeer in de meening van de Grooten tegenover de calvinistische beweging onder den „gemeinen mann", waarvan zij te voren niets weten wilden. Graaf Ludwig ziet reeds God's heiligen geest onder hen werken, al weten zij zelf niet, „wie sie dartzu kommen", en hoopt veel goeds van de toekomst. Hij onderricht den landgraaf omtrent de plannen der Grooten tegen den kardinaal en de kardinalistën, die hij met de noodige scheldwoorden pleegt te overladen, in het bijzonder Granvelle op niet zeer fijne wijze daarmede versierend.

Intusschen hielden de heeren nauwkeurig het oog op wat er in Frankrijk en Duitschland plaats had en het was weder Oranje, die door zijn Duitsche en Fransche relaties daarbij op den voorgrond trad. Te Breda, waar hij in dezen tijd meestal was, ontving hij in Mei den

Sluiten