Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te Brussel vanouds nooit geheel vertrouwden hertog van Kleef. Zijn broeder Ludwig was veelal tusschenpersoon bij zijne Duitsche correspondenten, waarin hij ook de Duitsche vorsten voortdurend van de actie tegen den kardinaal op de hoogte hield. Breda werd zoo een gewichtig middelpunt van politieke werkzaamheid, die bijna geheel Europa omvatte.

Het antwoord van den Koning op den brief van 11 Maart had vier maanden op zich laten wachten; het werd door de drie heeren, die er onaangenaam door getroffen waren, in overleg met de landvoogdes half Juli aan hunne te Brussel bijeengeroepen medeleden der Liga, vliesridders, provinciale gouverneurs en andere edelen, medegedeeld en met dezen, wel 80 tot 90 personen sterk, overwogen. Het resultaat dezer tiendaagsche overwegingen was een nieuwe door Oranje opgestelde brief, van 29 Juli 1563, waarin de drie heeren betuigen, dat zij onmogelijk de Nederlanden kunnen verlaten zoowel wegens de oorlogsgevaren buitenaf als wegens de toenemende gisting in het land zelf; zij verklaren Granvelle's verwijdering te verlangen „ès aultre androit oü il pourrait faire plus de fruict, selon sa profession et vocation". Zij wijzen nogmaals in forsche termen op het gevaar zijner handhaving, weigeren als „accusateurs" ten opzichte van bepaalde feiten op te treden en verzoeken, vol vertrouwen op hun goed recht, den Koning een onderzoek in te stellen naar de juistheid hunner inzichten en beweringen omtrent de „doléance publicque et commune" tegen den kardinaal: de heerschende onrust, ontevredenheid en verwarring is wel „assez tesmoignaige" aangaande het gevaar zijner handhaving. Zij berichten verder, dat zij een remonstrantie tot de landvoogdes hebben gericht en uit den Raad van State willen wegblijven zoolang de Koning geen beslissing heeft genomen, terwijl zij hunne gouvernementen: Oranje in Holland, Zeeland en Utrecht, Egmond in Vlaanderen en Artois, zouden blijven besturen gelijk zij in hunne overige ambten nog zouden volharden. Zij eindigen met de gewone betuigingen van trouw en van bereidwilligheid om onder de landvoogdes te dienen en met een ironisch getinte karakteristiek van de „simplicité" van hun brief.

In een brief aan de landvoogdes spreken zij uit naam der verzamelde Grooten van de Liga met nadruk hun vrees uit, dat het zoo niet langer gaat; zij wijzen op de in het land toenemende „désobéissance" ook op het gebied van het geloof, herinnerend aan de ellende der onbe-

Sluiten