Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en kinderen. Alleen zijn stadhouderschap in Franche Comté, zijn burggraafschap te Besancon en zijn compagnie van ordonnantie dacht hij te behouden, als behoorende bij de erfenis van Chalon.

Ook Bergen, de gouverneur van Henegouwen, en Megen, die van Gelderland, schreven, zelfs vóór Oranje, een dergelijken brief; Egmond, Hoorne en Montigny kondigden eveneens hun voornemen aan om zich terug te trekken.

De landvoogdes antwoordde den Prins welwillend, dat zij gaarne aannam, dat Oranje alleen gedreven werd door zijn gevoel als „léal vassal" en dat zij niet beter wist te doen dan nog eens aan den Koning té schrijven en volgens 's Prinsen raad hem te verzoeken toch spoedig zelf over te komen; zij verzocht hem inmiddels zijn posten vooralsnog te blijven waarnemen ten einde de bestaande ernstige moeiüjkheden niet te vergrooten. Eerst 24 Maart heeft zij intusschen de verschillende brieven der Grooten naar Spanje overgezonden, blijkbaar om tijd te winnen, volgens 's Konings eigen methode.

De Prins bleef intusschen voorloopig te Breda, van waar hij de landvoogdes echter nog in Februari op haar verzoek inlichtingen verstrekte over zekere lichtingen Van troepen, die hertog Erich van Brunswijk weder te Woerden scheen voor te bereiden. In Januari had hij van Breda uit een korte reis gedaan naar zijn noordelijke gouvernementen, waar wij hem 27 Januari in Holland vinden in onderhandeling met de Staten van dat gewest.

Ook daar begonnen zich namelijk ernstige moeilijkheden voor te doen. Totnogtoe had Oranje zich niet dan voor slechts korten tijd achtereen in deze stadhouderschappen opgehouden en dan nog het langst in het belangrijkste der drie gewesten, in Holland: de algemeene staatszaken en zijn particuliere belangen hielden hem gewoonlijk in Brabant, te Brussel of te Breda, terug. Wel verplichtte hem zijn instructie van 1559 in eet. artikel, dat hij „tiendra sa continuelle residence ès pays "de son gouvernement", maar dat artikel zeide ook, dat hij daaraan niet gehouden was, „si avant toutes fois que le service de Sa Maj., le bien, utilité et proufict de ses dits pays le requerront". Een Statenvergadering in zijn noordelijke gouvernementen woonde hij derhalve zeer zelden bij en dan nog alleen, gelijk vanouds gewoonte was, als het belangrijke financieele zaken, in het bijzonder beden betrof. Gewoonlijk liet hij het bestuur der drie gewesten aldus over aan de gewestelijke

Sluiten