Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Languet: „Belgium esse plane eversum Procerum stultitia et ignavia", het onverstand en de lakschheid der Grooten, die de calvinistische beweging niet hadden willen of durven steunen. De Prins wilde vooral niets hooren van de reeds spoedig opkomende onmiddellijk gewelddadige plannen, waaromtrent men hem op het eind van Februari in het algemeen inlichtte en die reeds de volle instemming van den licht ontvlambaren Brederode hadden gevonden. Oranje's verzet wekte de heftige ergernis van vurige geesten als die van de Marnixen en Hames, welke laatste (27 Febr.) erover schreef aan den toen in Duitschland vertoevenden graaf Lodewijk; Hames klaagde over de langzaamheid en krachteloosheid der Grooten, die maar altijd wilden blijven bij „remonstrances, requestes et enfin parolles", terwijl de inquisiteurs zonder genade onthoofdden en verbrandden naar hartelust. Men hoopte, dat de ijverige Lodewijk in zijn broeder en de andere heeren zou kunnen „faire luyre le feu", terwijl men nu de „povres fidèles" met beloften en tijd moest vertroosten, totdat ook de Grooten, Oranje vooral, zouden leeren inzien, dat wapengeweld de eenige weg was naar het doel.

Omstreeks Kerstmis had in Hames' woning te Brussel een bijeenkomst plaats, waarin Thoulouze een door hem opgestelde verbondsoorkonde ter tafel bracht, die door het elftal aanwezigen aanstonds werd onderteekend, nadat Brederode en graaf Lodewijk den eenigszins gewijzigden tekst hadden goedgekeurd. Ook deze beiden teekenden den volgenden dag. •

Onmiddellijk daarna trokken de eerste onderteekenaars erop uit om in alle gewesten der Nederlanden bondgenooten te werven en onderteekeningen op het Compromis in te zamelen. Dit gelukte zonder veel moeite en niet alleen protestantschgezinde en onverschillige maar ook bepaald katholieke edelen teekenden bij tientallen, zoodat in het vroege voorjaar eenige honderden zich bij het Verbond hadden aangesloten. Onder dezen Van den Bergh en Culemborg, Karei van Mansfeld, Louis de Boisot, drie Mérodes, Philippe de Villers, Backerzeele, secretaris van Egmond, Karei van der Noot en vele anderen; tot diep in den zomer van 1566 werden nog nieuwe deelnemers aangenomen, vooral in het gouvernement Friesland, waar de deelneming buitengemeen krachtig was.

I In Februari was die beweging onder den adel zoo gegroeid, dat

Sluiten