Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 1. Overzicht van den ge wijzigden toestand.

De herziening der Grondwet, in 1917 tot stand gekomen, brengt ingrijpende veranderingen in ons huidig kiesstelsel te weeg.

Voortaan is er geen sprake meer van belastingkiezers, of van examen-kiezers, huurkiezers, loonkiezers, spaarbankkiezers, enz. enz. ; er zijn geen kiesdistricten meer ; geene herstemmingen ; geen periodieke aftredingen van slechts een gedeelte van eenig College. — Dit alles is geschiedenis.

In het vervolg is ieder mannelijk Nederlander, — ongeacht of hij belastingbetaler is of niet; of hij al dan niet eene zekerè mate van welstand of ontwikkeling heeft — kiezer, mits hij maar op een bepaalden datum den 25-jarigen leeftijd heeft bereikt, en geen rechterlijk vonnis te zijnen laste heeft.

Hoewel nu in art. 3 der Kieswet eenige uitsluitingen van het kiesrecht genoemd worden (als: gevangenisstraf, krankzinnigheid, ontzetting van de ouderlijke macht, landlooperij, herhaalde veroordeeling wegens dronkenschap), toch zijn deze niet van dien aard, dat zij een belangrijken invloed hebben op het aantal kiezers. Er kan dan ook vrijwel van „algemeen kiesrecht" gesproken worden, behoudens dan de omstandigheid, dat aan vrouwen (ofschoon wel verkiesbaar tot lid van de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en den Gemeenteraad) nog geen actief kiesrecht is toegekend ; de mogelijkheid daartoe bestaat evenwel door de aangebrachte wijziging in art. 80 der Grondwet.

Tot het verleden behooren ook de Kiesdistricten. Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging brengt dit van zelf mede. Wat men onder dat stelsel heeft te verstaan ?

*

Sluiten