Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het schijnt wel alsof omtrent het „noodig zijn" van de krijgsraden te velde ook bij den Opperbevelhebber de meening vaststond, dat deze eerst- dan zouden moeten optreden, wanneer het niet alleen voor den burger maar zelfs — met dit woord moge de vreemde tegenstelling voldoende worden aangeduid — voor den soldaat tijd van oorlog zou zijn geworden. Eerst in het begin van 1916 werden eenige gepensionneerde hoofdofficieren aangewezen als presidenten van eventueele krijgsraden te velde, met bepaling, dat zij voor de aanvaarding van hun ambt weer in actieven dienst zouden worden gesteld. Zoover is het niet gekomen. Nog later verscheen er een oproep van den opperbevelhebber tot gepensionneerde officieren om zich op te geven als disponibel voor het zitting nemen in krijgsraden te velde, wanneer er een krijg mocht zijn uitgebroken. De benoeming der auditeurs-militair te velde dateert nog van veel later. *) Het heeft er somtijds wel wat van alsof een machtig verzet tegen mobilisatie van de militaire justitie telkens voor een klein deel werd teruggedrongen door een plotseling verhoogden druk der politieke omstandigheden.

Inmiddels waren tengevolge van een wetsvoorschrift, dat men niet door een uitlegging op zij kon zetten, n.1. art. 40 der wet van 13 Mei 1899, S. 128, mede krachtens K. B. van 16 Sept. 1914, no. 55, een tiental temporaire krijgsraden in gedeelten des Rijks, welke in staat van beleg waren verklaard, öf reeds georganiseerd öf in voorbereiding genomen. Over die temporaire krijgsraden ligt nog een waas van geheimzinnigheid. Het schijnt, dat de.krijgsraad te 's Hertogenbosch gedurende eenige weken van October 1914 heeft plaats gemaakt voor een temporairen krijgsraad, en dat in afwachting daarvan vanaf 9 September tot 7 October zelfs geen nieuwe zaken meer in behandeling zijn genomen. V/an de temporaire krijigsraden te Terneuzen, te Velsen, in Overijssel, in de Nieuwe Hollandsche Waterlinie en de Stelling Hollandsch Diep enz., blijkt niet, dat zij ecnigermate georganiseerd zijn geweest of een zitting hebben gehouden. Die te Axel heeft van 1—25 October 1914 7 zaken behandeld, die te Helder behandelde 4 zaken, en die te Brielle één zaak.

Tegen deze krijgsraden werd onmiddellijk door de Regeering front gemaakt en een verdelgingsoorlog begonnen, welke eindigde met de wet van J.6 October 1914, S. 490, waarbij zij werden opgeheven en het artikel nit de wet van 1899, waaraan zij hun ontstaan dankten, buiten werking werd gesteld voor zoolang er „oorlogsgevaar" aanwezig blijft en het land niet in oorlog geraakt. De Memorie van Toelichting op die wet gewaagt van groote bezwaren bij het zoeken naar geschikt personeel, van de moeielijkheid om officieren voor de zittingen aan den dienst te onttrekken, en van de onvindbaarheid van rechtsgeleerde auditeurs. Verder leest men nog: „De wetgever van 1899 is bij de vaststelling van art. 40 zeker wel van de onderstelling uitgegaan, dat in de gedeelten van het grondgebied des Rijks, welke

1) K. B. 16 Augustus 1917, nos. 44 en 45.

Sluiten