Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

precedenten en theoriën beïnvloed gezond verstand van den militair met een doorsnee-ontwikkeling, in de raadkamer te resumeeren.

De tijden zijn veranderd. De koers van de leekenrechtspraak in strafzaken, in het bijzonder van de schepenbanken, stijgt! En men ziet weer van nieuwe instellingen in dien vorm voorloopers ontstaan in college's bestemd voor het in een bepaalden kring vellen van oordeelen over misslagen. Aan eventueele strafrechtspraak door schepenbanken worden zelfs, naast buitenlandsche college's van dien aard, de Nederlandsche krijgsraden reeds ten voorbeeld gehouden. Mr. Limburg deed dit nog dezen winter in zijn cursus aan de Volksuniversiteit te 's-Gravenhage. Zij, die gehecht zijn aan 't behoud van de militaire rechtspraak, kunnen dus veilig gaan wieden in het bouquet hunner argumenten en hoe eerder en grondiger dat gedaan wordt, des te meer rijst de kans, dat zeker misverstand omtrent den aard dezer jurisdictie verdwijnt, en de aloude instelling zal blijken te passen in het systeem der nieuwe dingen.

Maar er valt ook iets te leeren aan de menschen van het nieuwe, zij het in oude lampen ontstoken licht. En het is dit. Oordeelt nu niet te voorbarig over de werkzaamheid van de krijgsraden van 1914 tot heden, want met haar oordeelt gij over schepenrechtspraak!

Laat ons thans enkele punten afzonderlijk beschouwen. Het debat over de vraag of rechtspraak door officieren over militairen noodzakelijk is, wordt niet heropend. Er zou trouwens ook niet veel nieuws meer over gezegd kunnen worden. Maar wanneer men een terugblik werpt op de rechtspraak door officieren in de afgeloopen vijf jaren uitgeoefend, dan moet men toch even bepalen, welke de minst bestreden bestaansreden van die jurisdictie is.

Ik geloof, dat de meening hieromtrent, welke door de meeste voorstanders van de rechtspraak door officieren wordt gedeeld, en dit ook waard is, omdat zij de meest gematigde en oprechte schijnt te zijn, is uitgesproken door den Generaal Koolemans Beijnen, toen hij ter Juristenvergadering van 1900 zeide: „De soldaat moet in zijn meerdere, die in oorlogstijd het hoogste van hem moet eischen, zien den persoon, die geheel over hem beschikt, hem opvoedt, hem leidt, hem straft. Dit laatste vooral zal er veel toe bijdragen om diens prestige te vermeerderen en zoo hoog mogelijk op te voeren. Dit acht ik uit een oogpunt van discipline de hoofdzaak. Ik heb mijn betoog niet gegrond op hetgeen de andere >prae-adviseurs gezegd hebben, dat de burgerlijke rechter niet bevoegd zou zijn om over de militaire misdrijven te oordeelen. Ik geloof, dat hij met de opleiding, die hij geniet, dit wèl zou kunnen, maar desniettemin blijf ik van oordeel, dat de burgerlijke rechter nooit tot die taak moet geroepen worden en alzoo zou staan tusschen ons en onze minderen; dit zou zijn een macht daartusschen brengen, die èn er niet behoort èn aan ons prestige afbreuk doet. Wij moeten het hoogste gezag uitoefenen over onze soldaten, die wij zoo noodig in den dood moeten voeren. Dat behoeven de heeren juristen niet te doen, en ik zeg het den kapitein Col-

Sluiten