Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaat om een principieele fout, die niet alleen in de militairrechterlijke organisatie is gemaakt, en waarop ik nog nader zal terugkomen.

Het is misschien te verwachten, dat men het als een fout van de militaire instructie zal beschouwen, dat zij voor den verdediger ontoegankelijk is, niettegenstaande zij, door de beëediging van de getuigenverklaringen, een gedeelte van het arbeidsveld van den advocaat in gewone strafzaken van de zittingzaal naar het instructievertrek overbrengt. Ik ben er echter van overtuigd, dat hij, die thans de deur van het kabinet van de officieren-commissaris had ontsloten voor den advocaat, tevens die deur zou hebben opengezet voor de beklaagden.

Over de verdediging van de beklaagden ter terechtzitting kan naar mijn gevoelen een vrij gunstig oordeel worden uitgesproken. De rampen, die sommigen als gevolg van hare toelating hebben gevreesd, zijn niet gekomen. Daarentegen heeft menig woord van den advocaat in raadkamer nageklonken en invloed op de beslissing gehad. Doch ook al ware het anders, de verdediging, die er eenmaal is, kan niet weer worden ontnomen.

Dat de verdediging aan advocaten moet worden overgelaten, is voor mijn krijgsraad voldoende bewezen. De officieren, niet tevens rechtsgeleerden, die kwamen pleiten, meenden 't stellig heel goed, maar beheerschten het vak niet. Alles moet geleerd worden. Aan de andere zijde moet ik erkennen, dat de veel geuite bewering, dat in het militair strafproces de verdediging door een officier moet worden buitengesloten, omdat deze de vereischte onafhankelijkheid mist, niet houdbaar is gebleken. De stelling, verkondigd in W. 8054, dat de officier-verdediger een ware helden-natuur moet bezitten, is een dwaze overdrijving. Een groote moeielykheid voor de toegevoegde verdedigers was, dat zij cliënten, die elders dan in het Huis van Bewaring in de hoofdplaats van het arrondissement waren gedetineerd of in arrest waren, voor de zitting niet konden spreken zonder daarvoor op eigen kosten te reizen.

Terwijl ik gaarne alle eer geef aan diegenen van mijn vroegere confrères, die zich voor de verdediging alle moeite getroost hebben en ook in de zaal van den krijgsraad de tradities van de balie getrouw bleven, mag ik, helaas, niet nalaten te zeggen, dat er ook geweest zijn, die hun taak zeer slecht vervulden en zich hadden moeten schamen daarvoor hun declaratie van tien gulden in te dienen. Ik zeg dit natuurlijk niet zonder bewijzen. Jammer genoeg, kan ik geen phonograaf-platen produceeren. Maar wat zegt men hiervan? In het tijdperk van 3 Januari tot en met 4 Februari 1919 hebben voor den Krijgsraad te 's-Gravenhage 9 verdedigers het woord gevoerd zonder de stukken te hebben ingezien. Hunne gezamelijke pleidooien duurden 27 minuten, of gemiddeld 3 minuten. Daarvoor is gedeclareerd ƒ 90.—.

De vraag of ook in het zoogenaamde reclameproces een verdediger

Sluiten