Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de tweede plaats hebben de beklaagden voor den Krijgsraad het hun ten laste gelegde doorgaans van den aanvang af volledig bekend en is een ontkentenis uitzondering. Het verhoor van getuigen ter terechtzitting verliest daardoor veel van zijn belang. Vervolgens komt het hoogst zelden voor, dat de beklaagde of diens raadsman aan den Krijgsraad verzoekt om een getuige, die reeds in het voorbereidend onderzoek gehoord is, nog eens persoonlijk te laten verschijnen; wat wel bewijst, dat van de zijde van de vervolgde party aan'die verschijning als regel geen behoefte wordt gevoeld. Het initiatief daartoe gaat zoo goed als steeds uit van den auditeur-militair of van den Krijgsraad. Dat initiatief wordt in bepaalde zaken (ernstige insubordinatie, diefstal in de chambrée, burgerrechtelijke misdrijven,, zoomede in geval de beklaagde een getuigenis uit het voorbereidend onderzoek blijft wraken) frequent uitgeoefend.

Voorts is het hooren van getuigen juist bij die militaire delicten, welke het grootste gedeelte van de rol vullen, doorgaans van weinig belang. Bij de tallooze gevallen van desertie — alle volledig bekend — is verder niets te verklaren dan het afwezig zijn op een zeker appèl en het weer terug zijn op een ander. Bij de vele gevallen van dienstweigering, — waarvoor men niet zonder trots rond uitkomt — kan degene, wiens herhaald bevel niet werd opgevolgd, moeielijk iets anders of meer zeggen, dan dat het niet werd opgevolgd. De getuigen hebben hier al zeer weinig anders mede te deelen dan een objectief vast te stellen feit.

En ten slotte moet worden bedacht, dat de militaire arrondissementen zeer uitgestrekt zijn en de hoofdplaatsen daarvan voor vele getuigen, doorgaans kaderleden, eerst na een lange en kostbare reis te bereiken. Men mag zich dan ook wel afvragen, of het raadzaam is voortdurend een groot aantal onderofficieren op reis van en naar den Krijgsraad (met ettelijke zittingen per week) te houden en aldus aan den dienst te onttrekken."

Wanneer ik nu trachten wil om na beschouwing van verschillende afzonderlijke punten te komen tot een overzicht van het geheel, dan dringt zich voor mij op als een feit van de eerste grootte, dat de organisatie bestand is gebleven tegen de ongehoorde toename van het te verwerken materiaal. Er zijn wel eens meer drukke tyden geweest in de militaire rechtspleging hier te lande — klaagde m 1814 de president van het H. M. G. al niet over de „terrible drukte van 't Hof" — maar" zoo iets als wij thans beleefd hebben, is geheel zonder precedent. In 1918 heeft de Krijgsraad te 's-Gravenhage te oordeelen gehad over 2831 verschillende telastleggingen. Wanneer 1914 zóo ware geëindigd als het begonnen was, zou men in dat jaar misschien het cijfer van 275 hebben gehaald. De Krngsraad. te 's-Hertogenbosch bracht het in 1918 tot 4805 telastleggingen die te Arnhem tot 4226. Niettemin hebben de krijgsraden zich zonder ver-

1) In het militair proces is een zeer summiere behandeling van zaken „waarvan het onderzoek uit deszelfs aard en natuur met opereus of omslagtig is" altijd aanbevolen.

Sluiten