Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegen dit alles voert men aan: maar rechter en officier zijn onpartijdig! My dunkt, dat moet men dan bewijzen. Waarom zou de rechter-commissaris, die niet te oordeelen, maar te zoeken heeft onder den ban van een hem opgedrongen werkhypothese, zoo onpartijdig zijn?

Waarom zou de officier onpartijdiger zijn dan een ander? Men heeft een eeuw lang het tegendeel op een aangrenzend gebied volgehouden !

Ook wordt in dit verband nu en dan opgemerkt: gij gaat uit van de veronderstelling, dat de politie voor haar taak berekend is, maar dit is, in het algemeen beschouwd, niet juist. Indien deze opmerking gegrond is, dan bewijst men daarmede, dat de politie verbeterd moet worden, doch niet, dat zij geholpen moet worden door ambtenaren, die wat betreft hunne geschiktheid tot het vaststellen van feiten en de omstandigheden, waaronder zij zijn gepleegd, aan dezelfde kwaal ongeneeselijk lijden. Een blinde kan wel door een lamme, maar niet door een tweeden blinde worden geleid.

Volgens mijne meening moet derhalve deze debetpost worden gesteld op rekening niet van personen, maar van een gebrekkig en overbodig systeem.

En.nu de derde vraag: is er goed recht gesproken? Laat ons een paar punten maar zonder veel woorden afdoen. Juridische fouten ziin er niet noemenswaard gemaakt. *) Op een paar na, zullen wel alle vonnissen voor zooveel den vorm betreft, zijn geapprobeerd. Onschuldigen zullen wel niet schuldig zijn verklaard. Ik geloof eerder, dat er heel wat schuldigen zijn vrijgesproken. De vraag komt dus hoofdzakelijk hierop neer: is er goed gestraft?

Veelal wordt als het werkeljjk doel, waarnaar met de straf rechtspleging (moet Worden gestreefd, voorgesteld', diait de delinquent zegt; „dat doe ik nooit weer", en dat het publiek zegt: „daar beginnen wij niet aan". Dit ideaal, intussohen, is door geen enkele straf te bereiken; daar behoort heel wat méér toe.

En toch hebben wij geen anderen bruikbaren eersten toetssteen voor de waarde van de militaire rechtspraak gedurende de mobilisatie dan de stand der criminaliteit en losbandigheid in den troep. Wanneer wH dien nu ter hand nemen, dan ziet het er aanvankelijk niet bijzonder fraai uit. Men leest in de couranten uitspraken van officieren, waaH in — zeker niet zonder overdrijving, maar toch —■ gezegd wordt: „het leger wordt één groote dievenbende", en men behoeft maar eens naar de houding van een groot deel der soldaten te zien om te gevoelen hoeveel zelfrespect, bodem voor goede tucht, in vele slungels is overgebleven.

Gelukkig is hiermede het oordeel nog niet geveld, zeker niet over de rechterlijke organisatie.

1) Nietigverklaarde bevelschriften in 1918: den Haag 3, den Bosch 4, Arnhem 2; onbevoegdverklaringen resp. 5, 5 en 4.

Sluiten