Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opmaken, dat gedurende de laatste jaren slechte tucht niet het bewijs behoeft te leveren van slechte militairrechterlijke organisatie.

En ten slotte: wanneer men nu de vraag, die ons bezighoudt, nog even voor den geest haalt: „is er met het oog op den specialen taak van den militairen rechter als tuchtrechter goed gestraft?" dan moet men wél bedenken, dat den rechter niet veel vrijheid is gelaten in de keuze van straf, en dat het, noodgedwongen, dikwijls voorkwam, dat na schuldigverklaring een straf moest worden opgelegd, die door de wet werd gewild, maar in casu door den rechter als onjuist werd beschouwd. Het is bekend, dat in de practijk geen noemenswaardig verschil bestaat tusschen militaire gevangenisstraf en militaire detentie eenerzijds en gevangenisstraf en hechtenis anderzijd», dat geldboete voor militaire delicten niet in aanmerking komt, dat de ontzegging om te dienen veelal niet als een leed doch als een voorrecht wordt beschouwd. Het is dus altijd weer: opsluiten; de eenige vraag: hoe lang?

De door de krijgsraden te straffen personen vormen een zoo al niet uitgelezen dan toch uitgezocht gedeelte van onze bevolking. Zij zijn allen mannen, gezonde mannen, niet jonger dan ongeveer 18, niet ouder dan ongeveer 30 jaar, de meesten zijn ongehuwd. Het straffenstelsel, door de wet voor hen bepaald, is practisch hetzelfde als dat voor alle justitiabelen, mannen en vrouwen, sterken en zwakken, jongen en ouden, huisvaders en jonggezellen. Men gevoelt wel, dat hierin iets hapert, iets dat niet rijmen wil.

In de criminaliteit van die jonge mannen zit iets heftigs, de motieven van hun met de tucht strijdige daden zijn meestal plotselinge opwellingen, driftbuien, baloorige stemmingen. Zoo als de pressie is moet de repressie zyn: kort en raak, maar niet kwellend langzaam. En, het is tot vervelens toe gezegd, dit is toch onze vrijheidstraf. Ik geloof dan ook, dat de militaire tuchtrechter nooit goed zal kunnen straffen, zoolang hij niets anders kan doen dan verwijzen naar de dufheid en de naargeestigheid van de strafcel.

De vraag, welke aan het hoofd van dit opstel werd neergeschreven, is niet eene, die met een eenvoudig „ja" of „neen" kan worden beantwoord. Beziet men haar goed, dan ontwaart men daarin als reeds vooropgesteld, dat, nu alleen sprake is van „in hoeverre", niet wordt verwacht, dat iemand zal meenen, dat de militairrechterlijke organisatie in het geheel niet of wel in alle opzichten heeft voldaan. En dat kan ook niet anders. Jupiter is niet bij machte een ieder tevreden te stellen, en de Duivel is niet zoo zwart als hij wordt afgebeeld.

Men mag echter wel bedenken, dat in de laatste decaden bij de afschildering van de militaire justitie de donkere verven niet zijn gespaard, terwijl gen sterveling heeft beweerd, dat zij volmaakt was. Zoodat, bij een beantwoording van de vraag in een brijmoedigen geest, heel wat meer kans bestaat, dat velen ongelijk krijgen dan dat zij naar huis gaan met de aangenaamste van alle voldoeningen: die van ,,'t altijd wel gezegd te hebben". En toch, van al die sombere

Sluiten