Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

text- en systeemkritiek in een nieuwe wet meent te mogen laken als onduidelijkheid en onvolledigheid, aal .daarom dikwijls aan die wet een vermogen van aanpassing geven, dat haar een hoogen en gezagenden ouderdom bezorgt.

Past men dit toe op een wet, die eene organisatie en in ons geval een rechterlijke organisatie in het leven roept, dan herkent men de deugdelijkheid harer bepalingen onder omstandigheden, die moeielijk of in het geheel niet te voorzien waren op het oogenblik, waarop de wet werd gegeven.

Daarmede is dan, in verband met al het voorafgaande, weliswaar geen jubeltoon, maar stellig een tevreden geluid bij de beoordeeling der miHtairrechterlijke organisatie im mlObdlisatietijd gerechtvaardigd'.

Een eindoordeel over die organisatie is daarmede niet geveld. Het eigenlijke mobilisatietijdperk is voorbij, en ik durf voorspellen, dat Nederland nimmer meer zulk een tijd zal beleven. Werkte de organisatie gedurende de jongste jaren goed of slecht? De vraag, hoe actueel zij ook is, blijft meer curieus dan practisch. Inmiddels zijn wij een ander tijdperk binnengegaan, en het schijnt wel alsof dit voor de militaire justitie wel andere, maar geen geringere moeielijkheden brengt en zal brengen dan zijn voorganger. Daarna zullen wij legerhervormingen krijgen, en andere dilemma's zullen zich voordoen. En er komt ook nog een tijd, waarin onze kinderen onder omstandigheden, waarvan wij ons thans geen begrip kunnen maken, ten oorlog zullen moeten trekken. Er zijn wellicht velen, die mijn meening niet deelen en over de organisatie van de militaire justitie gedurende 1914 tot en met 1918 geen malsch vonnis hebben te vellen. Maar wie thans dat oordeel definitief zou achten, en de wetsbepalingen op onze organisatie tot in bijzonderheden zóó zou willen vervormen, dat zij het ideaal van een rechterlijke inrichting voor het afgeloopen mobilisatietijdperk nabij kwamen, zou zijn als Lot's huisvrouw en, omkijkende, een zoutpilaar worden.

April, 1919.

Sluiten