Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet worden gebruikt. Maar vooral is de instructie in ons militair, proces van zooveel belang, omda,t de daar afgelegde verklaringen rtot de constructie van het bewijs kunnen medewerken; dit geeft op 'zichzelf aan de instructie al een zeer bijzonder karakter en maakt er in plaats van een vooronderzoek een deel van het onderzoek zelf Van. Daardoor wordt het,*zwaartepunt der procedure veel meer naar dit stadium verplaatst en vervult de officier-commissaris een veel gewichtiger rol dan de rechter-commissaris. En ten slotte doet dit bijzonder karakter der instructie ook op de hoofdbehandeling der zaak zijn invloed gevoelen, omidat het daar niet noodig is de geheele zaak te behandelen en men met het hooren van den beklaagde alleen kan volstaan.

Men zou tegen de opmerkingen, die ik hier over de werkwijze en de geschiktheid der officieren-commissarissen heb gemaakt, kunnen aanvoeren, dat toch onze rechtspleging de aanwezigheid van den auditeur-militair bij de verhooren uitdrukkelijk in artt. 41 en 24 R. L. (39—20 R. Z.) heeft mogelijk gemaakt en men daardoor het gebrek aan deskundigheid bij de officieren-commissarissen gemakkelijk kan aanvullen. Inderdaad is dit het geval en misschien hééft men in de weinige maanden vóór de mobilisatie deze mogelijkheidwel in dé praktijk gebracht; de werking der genoemde artikelen is echter in dien tijd te kort geweest om over het resultaat daarvan ■een oordeel te kunnen uitspreken. Nu mag men misschien een dergelijke rol ongaarne aan den auditeur-militair toegekend zien, zeker ■is het, dat de geregelde aanwezigheid van den auditeur-militair bij de verhooren eenen invloed ten goede zou kunnen hebben. Maar even zeker is het, dat het groote aantal zaken, de dislocatie der troepen en de geringe afdoende hulp, waairover de auditeurs konden beschikken, het tijdens de mobilisatie dezen laatsten onmogelijk hebben gemaakt er zelfs maar over te denken meer dan een zeer enkel •verhoor bij te wonen.

Wanneer in werkelijkheid de instructie in den mobilisatietijd zoo weinig aan hare bestemming heeft kunnen beantwoorden als naar mijne meening het geval is geweest, dan is het duidelijk, dat dit de Taak der krijgsraden niet weinig moet hebben verzwaard. De gebrekkige voorbereiding maakte eene volledige nieuwe behandeling bp de terechtzitting noodzakelijk in de zeer vele gevallen, waarin de instuctie óf onvolledig óf zóó gevoerd was, dat men redelijkerwijze uit de daar verkregen bewijsmiddelen geene overtuiging kon putten voor de schuld van den beklaagde. En nu is mijn gTootste grief tegen de militaire mobilisatierechtspleging, dat aan die noodzakelijkheid veel te weinig recht is wedervaren. Het hooren van getuigen op de zitting, wat in deze omstandigheden toch regel had béhooren te zijn, was hooge uitzondering en meestal werd volstaan met de tegenwoordigheid van den beklaaagde, wiens verhoor natuurlijk dikwijls niet veel meer dan een formaliteit kon zijn. Ik heb een president gekend, die na de gebruikelijke vragen omtrent naam, ouderdom enz. den beklaagde mutatis mutandis placht te vragen:

Sluiten