Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

makkelijk zijn bezet, ligt voor de hand, waar vele Belgen in het bezette gebied hunne betrekking hadden verloren en gaarne achter het front zich in eene militairrechterlijke functie zagen geplaatst. Ten opzichte van de bezetting der burgerlijke functies in de militairrechterlijke organisatie heeft men echter wel moeilijkheden ondervonden en men is er toe overgegaan verschillende eischen van benoembaarheid voor die functies te laten vallen. Juist in dergelijke omstandigheden, als waarin België tijdens den oorlog verkeerde, zal men over bnrgerkraohten zeer moeilijk kunnen beschikken en valt het op, hoe onjuist het is gezien voor sommige functies in de militaire rechtspraak, een instituut, dat voor en in het leger moet werken, juist hen uit te sluiten, die tot het leger behooren. Voor ooriogstijd maken wij die fout niet, maar deze opmerking geldt evenzeer voor het geval van mobilisatie. Eene andere opmerking, die de Belgische toestanden mij ingeven, is deze, dat daar een duidelijk merkbare tendens is geweest om zoo weinig mogelijk instructie te houden. Er is daar naar aanleiding van een vonnis van den krijgsraad der Belgische legerbasis te Calais een vrij hevige strijd gevoerd over de vraag of ook te velde de benoeming van officieren-commissarissen noodig was, die met den auditeur de instructie moeten voeren. Men vóelt, dat eene alleen door den auditeur gevoerde instructie een geheel ander karakter heeft dan wanneer die met officieren-commissarissen wordt gevoerd; in het eerste geval kan Worden volstaan met het inwinnen der inlichtingen, die de auditeur toch voor het vervullen van zijn taak noodig heeft en kan er van eene eigenlijke instructie niet worden gesproken. De strijd is voor de praktijk geëindigd met een arrest van het Cour Militaire, dat de benoeming der officieren-commissarissen eischte. De gronden, waarop deze opvatting berust, lijken mij sterk toe, maar de praktijk ondervond daarvan blijkbaar zooveel moeilijkheden, dat in de tijdschriften de strijd nog eenigen tijd werd voortgezet. Voor ons eene waarschuwing om althans in oorlogs- en mobilisatietijd met de verplichte instructie te breken, zooals men ook in Frankrijk een ruim gebruik heeft gemaakt van de wettelijke (art. 156 C. J. M.) bevoegdheid in oorlogstijd de instructie achterwege te laten.

Ten slotte kan nog worden vermeld, dat de behoefte zich heeft doen gevoelen om de griffiersplaatsen der krijgsraden door daartoe geschikte onderofficieren en minderen te laten vervullen, waartoe bij besluit-wet van 17 April 1'9'16 (Mon. Beige p. 189) de gelegenheid, waarvan sedert een ruim gebruik is gemaakt, is opengesteld.

Over Duitschland en Frankrijk kan ik zeer kort zijn, omdat de wetgeving en de feitelijke toestanden daar te zeer van de onze verschillen om veel punten van vergelijking te bieden.

Het eerste land, waarbij geen ander in organisatievermogen kon halen, was in de organisatie van zijn militairrechtswezen echter zoo weinig op den oorlog voorbereid, dat de samenstelling der militaire gerechten als regel geheel anders is geworden dan men zich deze had gedacht. Het systeem van samenwerking tusschen militairen

Sluiten