Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Èa dan moet de Louisa-Stichting een vergelijking met het ouderlijk huis kunnen .doorstaan. Het spreekt vanzelf, dat de Stichting het altoos verliest, maar dat weet men vooruit en daarop moet men bedacht zijn.

Het schoonste wat onze herinnering kent, de plaats waar men gekoesterd en verwarmd werd, zooals nergens ter wereld mogelijk is, het hoekje, waar de huiselijke haard stond, gevoed door vlammen van reine liefde, is niet te vervangen. Mair reeds eerder is het gezegd, de Stichting tracht het verlorene niet terug te geven, zij tracht alleen eenige vergoeding te geven voor het verlies, dat geleden werd bij vader's dood.

Het is niet alleen niet gemakkelijk, maar zelfs groote moeilijkheden zijn verbonden aan dit streven.

V0ór alles moet de Stichting zich hoeden voor weekheid, en te groote zachtheid bij haar pogen om het verlorene te vergoeden. We weten het, niets wat zoo'n bitteren nasmaak heeft dan eene zoete opvoeding, — en voor dien bitteren nasmaak moeten onze ünderen worden behoed.

Opvoeden zou men kunnen noemen: het zoeken naar een synthese tusschen de meest tegenovergestelde eischen, die aan de leiding van jonge menschen moeten wórden gesteld.

Van het licht dat in de Louisa-Stichting schijnt, moeten dus die warme, zacht koesterende stralen uitgaan, die het gezin zoo onvergetelijk maken, maar ook moet het zoo krachtig zijn, dat het kind, later geroepen in de maatschappij op te treden als man of vrouw en in welke positie dan ook, er de kracht uit put, die noodig is voor den gekozen werkkring.

Hieruit volgt al, dat de samenwerking van man en vrouw moeilijk gemist kan worden. Geeft de man aan het geheel de kracht, die noodig is voor de toekomst en leidt de vrouw het geheel met wijsheid, zoodat allen zich behagelijk gevoelen, dan pas kan het geheel bogen op schoonheid, zoo noodig om zich op den duur gelukkig te gevoelen.

En pas wanneer een kind zich gelukkig gevoelt en daardoor gedragen wordt door innerlijke opgewektheid, dan pas kan er wat van hem gevergd worden, want dan zal een opgedragen taak niet moeilijk vallen en zal de vervulling van iederen plicht, van welken dan ook geen last maar lust geven.

Er moet dus gelet worden op de stemming van alle internen, want ontevredenheid werkt schadelijk op de harmonie van het geheel.

En deze stemming bewaart men het best door te dwingen tot arbeidzaamheid, den lust aan te wakkeren tot nooit niets doen. Alles moet aangegrepen worden om de jongens en meisjes steeds belangstelling te doen hebben voor iets buiten hen. Die voortdurende bezigheid behoeft niet te bestaan in onafgebroken studie; een boog kan niet altijd gespannen zijn. Muziek^en literatuur, handenarbeid en kinderspel zè dienen alle tot vorming.

Het valt niet ieder kind gemakkelijk bij samenspel zich te voegen naar anderen, niet iedere jongen heeft den lust en de kracht om rustig en gestadig te arbeiden aan een voorwerp dat afgemaakt moet worden, en zoovelen zouden wel gaarne

Sluiten