Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LIJ halve eeuw is het geleden, dat de Louisa Stichting hare deuren li» opende voor het vaderlooze vrijmetselaarskind. Reeds een halve eeuw f iPÉil voldoet de Louisa Stichting aan hare verplichting, om de werktuigen 7\ |(P#èW? over te nemen, die den overleden minvermogenden medebroeder uit de handen vielen5 opgeroepen tot het E.-. O.-. De 24™ Mei 1919 is wèl een mijlpaal in de geschiedenis van onze inrichting, zoodat er alle reden is even stil te staan, om terug te zien op den afgelegden weg, waarbij we ons afvragen, op welke wijze is alles zoo geworden, als het zich thans aan ons vertoont.

Gedeeltelijk zullen we bij het weergeven van het voornaamste uit de geschiedenis der Louisa Stichting gebruik maken van de mededeelingen, die voorkomen in het gedenkboek, dat uitgegeven werd bij het veertigjarig bestaan, daar deze mededeelingen toen zijn geschreven aan de hand .van gegevens, geput uit het archief.

In 1862 werd in de Loge «L'Union Royale> te 's-Gravenhage voorgesteld, bepalingen te maken tot regeling der bestemming van het zoogenaamd „Liefdefonds" en werd in de eerste plaats gedacht aan een Opvoedingsinrichting voor kinderen van overleden minvermogende Vrijmetselaren. Deze Loge vond in haar streven alle steun en sympathie bij"Z. K. H. Willem Frederik Karel, Prins der" Nederlanden, Grootmeester der Orde.

Op het Groot-Oosten van 31 Mei 1863 werd dit plan in behandeling genomen, en in beginsel goedgekeurd, door het nemen van het besluit: «dat het Liefdefonds bestemd is tot vestiging van een opvoedingsgesticht voor kinderen v_an overleden minvermogende Vrijmetselaren onder nader daaromtrent vast te stellen bepalingen.» •

Tegen dit besluit werden in dien tijd vele bezwaren geopperd. Enkelen meenden, dat direct begonnen moest worden met het toekennen van geldelijken onderstand of bedeeling aan nagelaten weezen, anderen achtten het niet gewenscht, dat de Orde zichtbaar naar buiten werkte, daardoor misschien aanstoot geven en op deze wijze de reeks harer vijanden nog zou vergrooten. Ook werd de vrees geuit, dat de kinderen uit een Mac opvoedingsinstituut na het verlaten van dit gesticht vele moeilijkheden zouden ondervinden in de maatschappij.

Hun, die meenden, dat de Orde van Vrijmetselaren geene gestichten moest oprichten, werd gewezen op het Mac. weeshuis te Stokholm, het gesticht voor weeskinderen te Praag, op de Mac. kweekscholen te Dresden, Leipzig en Göshtz, op de Augusta-Stichting te Berlijn en op vele Engelsche Mac. opvoedingsinrichtingen.

Het Hoofdbestuur was dan ook zóó overtuigd van de noodzakelijkheid der

i

EEN HALVE EEUW

Sluiten