Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groot-Oosten van 1886, in art. 16 bepalen: «Het maximum der in het gesticht op te nemen kinderen is 30». (Bulletin 1886, bladz. 328.)

Dit maximum van dertig kinderen is niet willekeurig genomen. Wil men de Louisa-Stichting doen blijven wat zij is, zoo schreven Regenten, een opvoedingsgesticht, dan moeten de kinderen staan onder onmiddellijk toezicht van directeur en directrice, daartusschen mogen geen «binnenvader», geen «binnenmoeder» of «linnenmoeder» plaats nemen. Een goede opvoeding wenscht de Orde aan kinderen van overleden Broéders te geven, waarbij niet allen naar ééne formule worden behandeld, maar met ieders persoonlijke eigenschappen rekening wordt gehouden.

De wensch een opvoedingsgesticht te houden, was de eenparige wensch van al de leden der in 1885 benoemde commisie voor het ontwerpen van nieuwe Statuten; en het College van Regenten was het daarmede zoo eens, dat het in zijne ontwerpstatuten drè bepaling overnam zonder eenige opmerking. Ook het Hoofdbestuur vond dit maximum het juiste, blijkens zijn voorstel aan het Groot-Oosten om dit vast te stellen, en niemand heeft daartegen ook maar eenig bezwaar gemaakt, maar één woord gezegd. (Bulletin 1886, bladz. 334.)

Dat niettemin de wensch om de Stichting zoo mogelijk aan meer kinderen ten goede te doen komen bij allen levendig was, blijkt uit het voorstel der Commissie, zoowel door Regenten als door het Hoofdbestuur overgenomen, om, wanneer de finantièn het toelaten of bijzondere omstandigheden het wenschelijk doen zijn, pleegkinderen boven het getal 30 tijdelijk aan de huiselijke opvoeding van Vrijmetselaren toe te vertrouwen.

Anderen hadden bezwaar tegen de geraamde kosten, die naar hunne meening' te hoog waren. Het College, overtuigd dat die bezwaren kwamen van deskundigen, verzocht dezen hunne teekeningen in te zenden, die dan zeker in ernstige overweging zouden worden genomen. Regenten zouden zich verheugen, wanneer uit de in te zenden plannen bleek, dat een werkelijk goed gesticht, voldoende aan de gestelde eischen, voor aanmerkelijk minderen prijs kon worden verkregen.

Honderd en een en veertig plannen kwamen in, zoodat het niet gemakkelijk was hieruit eene keuze te doen. De jury van beoordeeling had eene moeilijke taak. De eerste prijs werd verworven door de Heeren J. Stok & Zoon te Rotterdam, de tweede door den Heer M. A. de Zwart te Voorburg. (Bulletin 1887, bladz. 67).

Na veel overleg met de Jury en na rijp beraad kwamen Regenten tot het besluit het eerst bekroonde ontwerp te kiezen.

Bij eene publieke aanbesteding bleek, dat ook de laagste inschrijver bleef boven de begrooting, wat Regenten aanleiding gaf den bouw bij onderhandsche aanbesteding op te dragen aan de Heeren Muller en Drooglever Fortuin te Rotterdam. Deze vatten den bouw krachtig aan, zoodat in het najaar de eerste steen kon worden gelegd.

Regenten meenden, dat dit met eenige plechtigheid behoorde te geschieden en noodigden den Grootmeester uit deze taak op zich te willen nemen. Wegens afwezigheid van den Grootmeester nam de Heer Mr. A. M..Maas Gkesteranus,

Sluiten