Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de overheid gerechtigd is om met betrekking tot de monopolistische bedrijven zelve als ondernemer op te treden, ligt in onze tevoren uiteengezette beschouwing. van de overheidstaak begrepen.

Nog verder kan zich hare bemoeiing moeten uitstrekken. Daar kan groote ingezonkenheid zijn van maatschappelijke krachten, daar kan door verschillende omstandigheden worden gevonden een tekort aan ondernemingsgeest, waardoor voorzieningen, voor het publiek welzijn onontbeerlijk, achterwege blijven. Staat of gemeente hebben dan de roeping, als het particulier initiatief faalt, zelve als bedrijfsleider op te treden, om aldus de maatschappelijke energie te prikkelen. Wel leert het Mercantilistische tijdvak tot welke gevaarlijke experimenten dit aanmoedigend handelen kan leiden, maar toch lijkt ons het recht en de plicht der Overheid in dit opzicht vaststaande.

Wijders kan nog om gansch andere reden de Overheid tot naasting moeten overgaan. Het benutten van sommige artikelen kan tot zoo groote schade voor de volkskracht lijden, dat de Overheid, machteloos om op andere wijze ! hulp te brengen, voortbrenging of levering in eigen hand dient te nemen. Aan zedelijke, humanitaire, hygiënische overwegingen ontleent zij dan haar recht tot ingrijpen. Op dien grond heeft o. m. het alcoholmonopolie verdediging gevonden, terwijl Prof. Aalberse kwam met zijn origineel voorstel: film verhuur-monopolie met verbod van film-verkoop van staatwege in het leven te roepen. Daarin toch ziet hij het éénige afdoende middel tot bestrijding van de noodlottige gevolgen, welke het sterk ontwikkelde bioscoopwezen onzer dagen meebrengt. Over de doeltreffendheid der hier aangewezen middelen

Sluiten