Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van hoeveel gewicht deze omstandigheid wordt geacht blijkt uit hetgeen in 1909 te Amsterdam geschiedde. Toen B. en Wfc in hun voordracht tot wijziging voorstelden den erfpachtstermijn van 75 jaar op 100 jaar te brengen en de mogelijkheid van continuatie te erkennen, werd dit onschuldig voorstel van meer dan één zijde als eene principieele aanranding van de erfpacht gebrandmerkt. In een adres van den Woningraad werd o. a. met klem van redenen betoogd dat zoo de goede werking van de erfpacht geheel werd onderdrukt, doordien aan allerlei nieuw opkomende vereischten niet kon worden voldaan, met name niet aan die van het toenemend luchtverkeer, welke een gansch andere bebouwing van verschillende terreinen noodzakelijk kunnen maken.

Voor dergelijke luchtbespiegelingen gevoelen wij niets en de waarde van dit argument schatten wij uiterst gering. Natuurlijk heeft het in sommige gevallen waarin de gemeente weet binnen afzienbaren tijd de terreinen zelve te behoeven, beteekenis maar als een algemeen werkend principieel motief ten gunste van de erfpacht achten wij het verwerpelijk. Immers is een stelsel van erfpacht, waarbij na bepaalden tijd de opstal zonder vergoeding aan de gemeente komt onaannemelijk. Téh aanzien van dit punt gaat dus reeds de redeneering niet op. Gesteld echter dat die vergoeding niet ontbrak, dan nog zouden wij het uitermate bedenkelijk achten dat de gemeente op gemakkelijke wijze de erfpacht kon doen eindigen. Stabiliteit is allereerste vereischte en wordt die prijs gegeven, loopt de erfpachter telkens gevaar — al is het tegen vergoeding — zijn perceel te verliezen dan treedt een toestand van onrust in, die op het aanbrengen van verbeteringen, op de gansche volkshuisvesting noodlottig moet werken en groote maatschappelijke schade

Sluiten