Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

79- Herdenking.

1. Wij schuilden onder dropplend loover,

Gedoken aan den plas; De zwaluw glipte 't weivlak over,

En speelde om 't zilvren gras; Een koeltjen blies, met geur belaan, Het leven door de wilgenblaan.

2. 't Werd stiller; 't groen liet af van droppen;

Geen vogel zwierf meer om; De dauw trok langs de heuveltoppen,

Waar achter 't westen glom; Daar zong de Mei zijn avendlied! Wij hoorden 't, en wij spraken niet.

3. Ik zag haar aan, en, diep bewogen,

Smolt ziel met ziel ineen. O tooverblik dier minlijke oogen,

Wier flonkring op mij scheen! O zoet gelispel van dien mond, Wiens adem de eerste kus verslond!

4. Ons dekte vreedzaam wilgenloover;.

De scheemripg was voorbij; Het duister toog de velden over;

En dralend rezen wij. Leef lang in blij herdenken voort, Gewijde stond! geheiligd oord!

Staring.

8o. Le gué.

1. II fallait passer la rivière,

Nous étions tous deux aux abois,

J'étais timide, elle était fiére,

Les tarins chantaient dans les bois.

2. Elle me dit: „J'irai derrière, „Mon ami, ne regardez pas." Et puis elle défit ses bas .... II fallait passer la rivière.

Sluiten