Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvan scrobiculi; gesteeld en met interpetiolare, aan de binnenzijde klierachtig behaarde nevenblaadjes. Kleur dof, zachtgroen; in jeugdigen toestand vertoonen zij iets fluweelachtigs, terwijl bij enkele variëteiten de onderkant roodbruin is.

Bladschijf bij jonge takken 255—285 m.M. lang, go—130 m.M. breed; bij niet bloeiende takken zijn deze afmetingen 70—150 en 20—60, en aan de inflorescentie 30—80 en 10—30 m.M.

Bladsteel bij groote bladeren 15—30 m.M. en bij kleine

3—15 m.M. lang; soms is hij roodachtig aangeloopen. Bloemen: tot eindstandige, pluimvormige inflorescentiën vereenigd;

kort gesteeld; stand hellend tot knikkend; regelmatig;

tweeslachtig; welriekend.

Bloemknop een weinig knotsvormig.

Kelk: klein, klokvormig, vijftandig, nablijvend en groen van kleur.

Kroon: trompetvormig, vijfslippig, geelwit (roomkleurig) ; de kroonslippen van binnen met wollige franje bedekt.

Meeldraden: vijf, afwisselend met de kroonslippen. Bij de langstijlige bloemen zijn de meeldraden in het midden der kroonbuis gelegen, bij de kortstijlige met de keel vergroeid.

Stijl: kort of lang (heterostyl), aan den voet door een ringvormige schijf omgeven en naar boven uitloopend in twee stempels.

Vruchtbeginsel: onderstandig, 2-carpellig, 2-hokkig, met vele aan het tusschenschot vastzittende zaadknoppen.

Vrucht: doosvrucht, die bij het rijpen, van onder naar boven, met 2 kleppen openspringt; klein (8—12 m.M. lang en 3—4 m.M. breed), niet of spaarzaam behaard, bijna eivormig.

Zaden : + 20 stuks in elke vrucht, schildvormig vastzittend, plat en door een vleugel omgeven; klein (4—5 m.M. lang en 1 m.M. breed); 1 gram bevat + 3500 stuks.

Sluiten