Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat zulk een instelling waard is, moge ieder afmeten naar het nederlandsche parlement, dat weken lang praat over ontelbare moties, die vaak met de grootste onbezonnenheid worden ingediend, dat bovendien interpellatie op interpellatie stapelt, zoodat er geen doorkomen meer aan is en bijna heele maanden in beslag worden genomen door discussies, die geen resultaat opleveren. Terwijl1 intusschen het parlement zelf niets feitelijks tot stand brengt en tevens de regeeringspersonen belet te werken. Men moge het ook afmeten naar het feit, dat in Duitschland onder het oude regime, zonder parlementarisme, schitterend economisch en sociaal werk is geleverd, ten bate van het volk, waarbij vergeleken wij in hooge mate achterlijk zijn.

Men zou zich met dit alles misschien tot op zekere hoogte nog kunnen vereenigen, indien dan tenminste nog eenige kans bestond, dat, naar het fransche spreekwoord het uitdrukt, uit de botsing der meeningen de waarheid naar voren sprong. Maar — en dit is mijn tweede bezwaar — dit kan uit den aard der zaak niet, aangezien deze democratie niet op waarheid mikt, maar geheel en al geleid wordt door de gedachte, wat toch maar welgevallig kan zijn aan de kiezers, van wier applaus men verzekerd moet zijn om kans op succes te hebben, zoo niet als politiek persoon, — helaas, ook dat speelt een enorme rol! —, dan toch als politieke partij. De man of de partij, die het meest geeft, maar eigenlijk nog meer de man of de partij, die het meest belooft boven hetgeen gegeven kan worden, waant zich het meest van succes verzekerd.

Vandaar, dat onder het systeem van het parlementarisme niet meer gevraagd wordt naar recht, maar dat de kiezersdienst geheel beheerscht wordt door het belang, met dien verstande, dat het daarbij natuurlijk gaat om materieel belang: ideëel belang doet in dit parlementaire systeem weinig of geen opgeld. Dat partijen, die ik overigens hoogelijk respecteer, in onzen tijd van onderdrukte revolutie meegedaan hebben aan het inhalen — of althans zich niet langer verzet hebben tegen het inhalen — van wat ze vroeger ernstig bestreden, kan moeilijk worden geloochend, rtiair acht ik een tfeer ongunstig teeken des tijds.

In de derde plaats zou ik er de aandacht op willen vestigen, dat het karakter van den overheidsdienst in het. systeem van het parlementarisme in sterke mate verandert. Oorspronkelijk was dit karakter, «m tiaar het mij voorkomt volkomen terecht —, dat de overheid recht en orde handhaafde, voor rust en veiligheid zorgde, den staat naar binnen en naar buiten bewaarde en beschermde. De staat was in den veelszins góeden tijd Van voorheen, is mijns inziens nog in elk gezond systeem, rechtsstaat. Niét in dien Kin» dat —

Sluiten