Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook thans nog dikwijls :

De schoonste Roode Rozen bloeien Op Geenen Griekschen berg, o neen.

Blanke Bloem van korenaren, DRuppelende DRuivenwij'n 1

Maar bij 't stafrijmgeknutsel van vele onzer nieuwe poëten niet. En dit gebrek schijnt te ernstiger daar uit een vergelijking met de muziek, de gevoelswerkingen der beste allitteraties zoo aanstonds te begrijpen zijn.

Wanneer toch blijven de toondichters op gelijke toonhoogte zweven ? Ten eerste bij zieleteederheid, wanneer het gemoed niet meer te worstelen heeft, maar het verlangde indrinkt in ongestoord genieten. Zoo laat Gounod in zijn Roméo et Juliette de laatste tot den eerste zeggen :

Vgl. ook de zalige orgelpunt op de bas in 't slotkoor van Bach's Mathauspassion : ,,Ruhe sanfte, sanfte Ruh", waarop Gerard Brom mij o.a. opmerkzaam maakte.

Deze teederheid gaat soms tot verrukking, d. w. z. monoideïsme over, als alles in ons'bewustzijn stilstaat en duister is behalve de ééne goudgestraalde idee. Een treffend voorbeeld daarvan hebben wij in het wondervolle lied van Cornelius : E i n T o n, Op. 3 No. 3, enAnden Traum No. 4. In het eerste blijft de zangstem, in het tweede blijft de pianobegeleiding voortdurend op denzelfden toon hangen. Voorbeelden van hetzelfde genre hebben wij nog in Beethoven's Liederkreis (,,Dort im ruhigen Tal"), Schubert's

Sluiten