Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oud Grieksche stammen irt deze toongeslachten een min of meer volledigen weerklank vonden, daar juist de namen der toongeslachten aan de verschillende stamnamen zijn ontleend, maar boven vermoedens komen wij hier voorloopig niet. Een degelijke doorvorsching zou ook het Gregoriaansch verdienen, om te zien in hoever hier de verschillende toni nog in de melodie van onze spreektalen weerspiegeld worden ; maar het is zeer waarschijnlijk dat het voor dit onderzoek reeds te laat is, en wij om tot afdoende resultaten te komen de middeleeuwsche sprekers uit hunne graven zouden moeten doen opstaan.

Voor de tweede periode evenwel hebben wij nog materiaal in overvloed. De fijnhoorende Merkel was, zoover ik weet, de eerste die tusschen 1850 en 60 in de Duitsche spreektaal de moll-tonart in z'n deprimeerende gevoelsbeteekenis ontdekte. Storm, de fijne hoorder, konstateerde dank zij de voorbeelden van den te vroeg gestorven Pierson, hetzelfde voor het Fransch, wat nu sedert kort Luick op veel grootere schaal voor de Duitsche literatuur kwam bevestigen. Storm wees verder ook op de simultaan-harmonische beteekenis der septiem-intervallen. En dank zij de verdere meertoevallige konstateeringen van Kienzl, Combarieu en Rietsch kunnen wij nu deze vier lijnen van evolutie uit de vroeger behandelde oudere en natuurlijk nog altijd gebezigde sukcessief-harmonische gevoelswaarden naar de nieuwere 19de eeuwsche simultaan-harmonische taalgewoonten doortrekken, 't Zijn weer niets als gevoelsoverdrachten, gelijk wij er in de mimiek zoovele hebben aangetroffen.

i°. Wat in de oude betoning het stijgen naar een hoogen toon uitdrukte, d. w. z. het exciteerende, het onaffe, het nog niet tot rust gekomen zijn, dat uiten wij thans het scherpst in 't algemeen door een meer of minder volledig in taal-

Sluiten