Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorlog het eerste hoogtij, ligt het laatste geslagen in een zijner edelste en meest begaafde voorvechters.

Het past nu ons, ja, het is de eerste plicht van allen die in het streven van Jauiès, het nieuwe inzicht en de mogelijkheid eener nieuwe orde hebben begroet, niet te vertwijfelen, noch te berusten, maar getrouw aan onze beginselen, aan onze opstandigheid, te bedenken dat ondanks eiken tegenslag, zélfs ondanks deze wereldbrand, de wereld-hervorming op weg is, dat niets haar kan tegenhouden, eerst recht niet de misdaad der tegenpartij die door eigen barbaarschheid zich den ondergang bereidt.

In het dualisme der natuur, in haar tweeledige tendenz van verwoesting en opbouw zegeviert ten slotte de laatste, de scheppende evolutie, de wil tot leven en laten leven, den drang tot ontwikkeling die den dood overwint. Mogen volken en rassen vergaan, de mensch keert weder, de mensch in wien de natuur het geheim heeft gelegd van zijn streven naar altijd hooger leven en organisatie van leven; de mensch voor wien de levens-kansen en levensmogelijkheden zich ondanks allen tegenstand, vermenigvuldigen. Het leven, een worsteling van macht en onmacht, waarin toch ten slotte het leven als scheppings-kracht overwint. Dit levensbesef, ten deele bewust, ten deele onbewust is de stuwing die ons staande houdt en vooruitdringt, het is de belofte der eeuwige wedergeboorte die ons steunt.

Noem dit geen utopie, — of zoo ge wilt, noem haar wèl utopie, maar bedenk dan dat deze oorlog in zijn gruwzame werkelijkheid elke oorlogs-utopie die ooit geschreven werd overtreft, bedenk dan dat deze oorlog, de utopie der verwoesting, van den dood, alleen door de utopie van den opbouw, van het leven, kan worden bestreden en overwonnen.

Maar om tot den oorlog terug te keeren, want het is mij te doen om de erkenning van den oorlog ifi de naakte waarheid van zijn gruwelijk samenstel. Reeds Richard Wagner schreef naar aanleiding van den oorlog van 1870 in zijn „Religion und Kunst": „Innen die Staatsmannen — fehlt die Erkermtniss" en bejammert iets verder in het algemeen: „Der Mangel einer richtigen, alles dürchdringenden Erkermtniss vom Wesen dér Welt". — Zijn klacht van toen geldt nog heden. Wederom is er oorlog, en welk een oorlog! omdat het den vorsten en staatslieden aan levens-

Sluiten