Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WET

VAN DEN 7den JUNI 1919 (Staatsblad No. 310), HOUDENDE NADERE VOORZIENINGEN OP HET STUK VAN VUURWAPENEN EN MUNITIE.

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.,

enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat nadere voorzieningen op het stuk van vuurwapenen en munitie noodig zijn; ?$GiJ

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1.

Voor de toepassing van deze wet worden:

1°. onder vuurwapenen mede verstaan bommen, handgranaten en dergelijke voor ontploffing of voor het verspreiden van verstikkende of vergiftige gassen bestemde wapenen zoomede vlammenwerpers;

2°. onder vuurwapenen begrepen onderdeelen van vuurwapenen;

3°. onder munitie begrepen onderdeelen van munitie.

Als het hoofd van politie wordt voor de toepassing van deze wet aangemerkt:

1°. in gemeenten, waar geen hoofdcommissaris of commissaris van politie is, de burgemeester;

2°. in andere gemeenten, onderscheidenlijk de hoofdcommissaris of de commissaris van politie.

Vuurwapenwet

Artikel 2.

Wij behouden Ons voor bij algemeenen maatregel van bestuur invoer, uitvoer, doorvoer en vervoer van vuurwapenen en van munitie te verbieden.

Naar regelen, te stellen bij algemeenen maatregel van bestuur, kan van een verbod, als bedoeld in het voorgaande lid, ontheffing worden verleend. Aan die ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden, alsmede de eisch, dat zekerheid voor de nakoming dier voorwaarden wordt gesteld.

Artikel 3.

De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt enkel toe:

1°. aan een publiekrechtelijk lichaam;

2°. aan hem, die het wapen 'voor een publiekrechtelijk lichaam onder zich heeft;

3°. aan hem, die ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef of 1°., 2°., 7°. of 9°., der wet van 9 Mei 1890 (Staatsblad no. 81) het wapen op den openbaren weg of op eenige voor het publiek toegankelijke plaats bij zich mag hebben;

4°. aan hem, die het wapen voorhanden heeft met schriftelijke algemeene of bijzondere machtiging van het hoofd van politie zijner woonplaats of van Onzen Commissaris in de provincie, waarin die woonplaats gelegen is. Aan de machtiging kunnen

Sluiten