Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorhanden hebben.

Wie zijn bevoegd vuurwapenen voorhanden te hebben zonder eene daartoe strekkende machtiging.

is eveneens niet bevoegd om munitie voorhanden te hebben, tenzij hij ingevolge de wet van 26 April 1884 (Staatsblad no. 81) tot het houden van eene bewaarplaats of tot opslag van ontplofbare stoffen gerechtigd

is.

1. Onder „voorhanden hebben" is volgens de Memorie van Toelichting x) te verstaan: in feitelijk bezit hebben 2). Op één plaats (no. 2 van het eerste lid) bezigt de wet de uitdrukking „onder zich hebben", welke term mede eenmaal in de Memorie van Toelichting voorkomt. In de practijk zullen zich ten aanzien van de beteekenis van het begrip „voorhanden hebben" zoo ongeveer dezelfde vragen kunnen voordoen, als rijzen met betrekking tot de interpretatie van de uitdrukking „onder zich hebben" in artikel 321 (verduistering) van het Wetboek van Strafrecht 3), en ik zou ze in gelijken zin willen oplossen, met dien verstande evenwel, dat het voorhanden hebben beperkt is tot feitelijk bezit. Tusschen feitelijk bezit en de gelegenheid om het te verkrijgen bestaan uiteraard de meest geleidelijke overgangen. Wanneer iemand aan een ander een vuurwapen in handen geeft om het in zijn tegenwoordigheid te bezichtigen, verkrijgt die ander m. i. niet het feitelijk bezit. Wanneer echter een jager aan zijn drijver een geweer geeft om dat, anders dan onder zijn oogen, voor hem naar het jachtveld over te brengen, moet m. i. de drijver geacht worden het geweer voorhanden te hebben 4). Men zie voorts ook artikel 6, tweede lid, onder 3°. De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden de hebben, sluit natuurlijk nog geenszins in de bevoegdheid om dat Wapen op den openbaren weg of op eenige voor het publiek toegankelijke plaats bij zich te hebben. Deze laatste bevoegdheid wordt uitsluitend beheerscht door de z.g. Wapenwet, gelijk die laatstelijk is gewijzigd bij de Vuurwapenwet 1919; zij kan in bepaalde gevallen het recht medebrengen om een vuurwapen voorhanden te hebben (vgl. het eerste lid, onder 3°.).

2. Pe bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt volgens den aanhef van het artikel enkel toe aan de lichamen en personen, in het eerste lid genoemd. Alleen aan deze, niet aan andere. Wij vinden dan, behalve de in no. 4 bedoelde houders van eene machtiging, waarover later, als bevoegd vermeld:

1°. een publiekrechtelijk lichaam; in de eerste plaats dus rijk,

1) Op artikel 5 van het oorspronkelijk wetsontwerp (art. 8 der wet).

2) Men zie het Wetboek van Strafrecht, toegelicht door Mr. T. J. Noyon, derden druk, aanteekening 1 op artikel 214.

3) Men zie Noyon, aangehaald werk, aanteekening 4 op artikel 321.

4) Men vergelijke artikel 6, tweede lid, onder 2°., der wet en aanteekening 4 op dat artikel.

Sluiten