Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de houder voorhanden blijkt te hebben, niet is uit te maken, of ook daarvoor de machtiging geldt. De aanvrager van eene machtiging kan meer vuurwapenen voorhanden hebben of krijgen, dan waarvoor hij machtiging aanvraagt.

Moet degene, wien eene bijzondere machtiging wordt verleend, zich een of meer der vuurwapenen, waarvoor die machtiging geldt, nog aanschaffen, dan wordt de machtiging afgegeven met aangehechten bon. Men zie artikel 9, tweede lid, van het Vuurwapenreglement. Hieruit vloeit voort, dat de houder eener bijzondere machtiging, waaraan de bon ontbreekt — hetzij dat zij zonder bon is verleend, hetzij dat de bon is afgescheurd —, zich zonder meer daarop geen vuurwapenen kan aanschaffen (art. 6).

7. De machtiging wordt alleen verleend, voor zoover eenig rede- Maatstaven lijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het iTnen* van6'" vuurwapen niet is te vreezen. De Memorie van Toelichting merkt maehtl" daaromtrent het volgende op: „Het criterium, in no. 4 van het eerste lid voor het verleenen van de machtiging gesteld — „voor zoover eenig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vreezen" —, eischt eenige toelichting. Allereerst moet dus blijken van eenig redelijk belang, als daar is uitoefening van de jacht, bescherming van persoon of goed, verfraaiing, of wat dies meer zij. Alleen binnen de grenzen van wat dat redelijk belang vordert, kan de machtiging worden verleend. Is b.v. het redelijk belang de uitoefening van de jacht, dan kan daardoor het voorhanden hebben van zwaardere wapenen, dan voor de jacht wordt vereischt, niet worden gedekt; is het bescherming van persoon of goed, dan zal het getal der daarvoor benoodigde wapenen uiteraard zeer beperkt zijn, enz. Bovendien wordt de machtiging alleen verleend, voor zoover misbruik daarvan of van het vuurwapen niet is te vreezen. Hier komt de persoonlijkheid van den aanvrager in het geding, waaromtrent de politie zich zal hebben te vergewissen."

De toepassing van het gestelde criterium in de practijk stelt aan het beleid van de hoofden van plaatselijke politie en, in beroep, van de Commissarissen der Koningin in de provincie hooge eischeni met m de laatste plaats waar het geldt personen, die op het tijdstip van de inwerkingtreding der wet reeds vuurwapenen voorhanden hebben. Bij eene andere dan beleidvolle toepassing kan deze wet hoogst impopulair worden. De machtiging wordt alleen verleend voor zoover eenig redelijk belang dat vordert. Alles, waaraan de mensch waarde hecht, is voor hem een belang. En voor zoover

Vuurwapenwet.

Sluiten