Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een belang niet alleen voor een bepaald persoon of groep van personen weegt, doch ook voor de rechtsorde mag wegen, kan het ten deze als een „redelijk belang" gelden. Hierboven werden als zoodanig reeds genoemd de bescherming van persoon of goed, de uitoefening van de jacht, de verfraaiing van woonvertrekken. Voorts kunnen als zoodanig gelden de handel in en het vervaardigen of herstellen van vuurwapenen, waarvan het voorhanden hebben door een redelijk belang kan worden gevorderd. Dat ook een belang van objectief betrekkelijk geringe beteekenis daarom nog wel als een „redelijk belang" kan worden beschouwd, is uit het in de Memorie van Toelichting gegeven voorbeeld van verfraaiing van woonvertrekken reeds gebleken. En zoo kan m. i. onder omstandigheden ook b.v. het bewaren van een familiestuk nog wel als een „redelijk belang" worden aangemerkt. Hierbij moet dan worden bedacht, dat de machtiging enkel wordt verleend, voor zoover een redelijk belang dat vordert. In verschillende gevallen zal men intusschen, zonder de machtiging te weigeren, deze'door middel van het stellen van voorwaarden binnen de grenzen van wat het redelijk belang vordert kunnen beperken. De Memorie van Toehchting geeft daarvan het volgende voorbeeld. „Wenscht b.v. iemand een machtiging voor het voorhanden hebben van vijf en twintig pistolen ter verfraaiing van zijn woonvertrekken, dan zal als voorwaarde kunnen worden gesteld, dat de pistolen voor gebruik ongeschikt worden gemaakt." Natuurlijk is hier gedacht aan het ongeschikt maken voor onmiddellijk gebruik 1). Niet aan duurzaam ongeschikt maken, waardoor immers de vuurwapenen aan de werking der wet zouden worden onttrokken 2), zoodat eene machtiging overbodig zou worden.

Intusschen zullen de voetangels en klemmen ten deze wel vooral liggen op het gebied van de beoordeeling van de persoonlijkheid van den aanvrager. De machtiging wordt alleen verleend, voor zoover misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vreezen. Degene, die de machtiging verleent, moet m. a. w. overtuigd zijn, dat de waarschijnlijkheid van misbruik ontbreekt, en, in geval van wéigering, in zijne beschikking de redenen opgeven, waarom hij niet overtuigd is, dat die waarschijnlijkheid ontbreekt. De kans op misbruik is natuurlijk nooit geheel uitgesloten, doch de machtiging kan worden verleend, indien de daartoe bevoegde autoriteit meent, dat misbruik waarschijnlijk is uitgesloten. Hierbij moet worden bedacht, dat de gelegenheid voor en dus ook de kans op misbruik van een vuurwapen door het verleenen van eene machti-

1) Men zie artikel 10, eerste lid.

2) Artikel 16.

Sluiten