Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelf noodig; maar er moet nu eenmaal worden geleend; de bankgelden moeten in omloop gebracht — het is „prentah"; hoe meer „uitgezette" gelden, hoe meer een bank immers „bloeit" ! De loerah verbruikt dat geld ; een loerah kan a 11 ij d wel geld gebruiken, daarvoor is hij loerah; terwijl de leening natuurlijk geboekt wordt op naam van Soeto. Tegen den lijd van afbetaling — of de loerah nu zelf wel kan betalen, of niet, komt er niet op aan, het gemakkelijkste en voordeeligste voor hem is zeker, om maar weder te leenen, bovendien hoe meer leeningen hij als loerah plaatst, hoe hooger hij bij zijn Chef staat aangeschreven — wordt een ander bijv: Kromo gedwongen om geld te leenen. De schuld van Soeto plus de rente wordt nu betaald met het geld, zoo juist door Kromo opgenomen. Het bankpersoneel, waaronder veel kreupelen, komen er niet zoo spoedig achter. Volgens de boeken is alles keurig in orde, Centrale Kas controleert, vindt alles prachtig in orde.

Zijn er nu ten slotte geen personen meer te vinden, die zich laten dwingen om geld op te nemen, dan is Leiden in nood en komt er plotseling een groote achterstand te voorschijn.

De achterstalligen weigeren te betalen (waar zij feitelijk groot gelijk aan hebben), daar zij totaal niets van de op hun naam geleende gelden hebben ontvangen. De Justitie komt tusschen beide, landraadvonnis, excecutie volgt en Kromo, de laatste officeele leener, staat op straat en is de dupe van het „opvoedend" credietstelsel". Het desahoofd, valt dan meestal ten slotte ook als slachtoffer!

Voor al deze feiten, heb ik als oud Bestuursambtenaar met 25-jarige Bestuurservaring achter mij, slechts ééne verklaring, n.1. werk van de bureaucratie! Men leze aandachtig, hetgeen ik in den aanvang van dit schrijven over de bureaucratie zeide. Volle waarheidsliefde en de oprechte wensch tot verbetering van Slechte toestanden te kunnen medewerken, door de wondeplek aan te tasten, niet gelijk een zacht heelmeester dit doet, maar op de aan mijn persoon eigene wijze, drong mij tot het schrijven van deze beschouwingen ; geen andere motieven; ofschoon — , ik moet het eerlijk bekennen, spijt en bitterheid mijn gemoed hebben vervuld, sedert het oogenblik, dat ook ik zelf

Sluiten