Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelingskwesties in de dessa. Verarming van den „tani" zal er niet door worden voorkomen. Ik herhaal, zoolang het mogelijk blijft, dat een „tani" a 1 zijn grond kwijt is, zal hij economisch achteruitgaan, bezit van grond vertegenwoordigt zijn bestaan c. q. moet hem ook bij verhuur van een deel van zijn grond, d o o rloopend een ander deel worden gelaten. Iedere andere wijze van verhuur is voor hem uit den booze.

Er is nog meer; men schenkt thans de gelegenheid tot inhuur 30 maanden vóór de intrede van het kalenderjaar, waarin de grond geoccupeerd zal worden; het zal dus kunnen gebeuren, dat er bijna 42 maanden, of bijna 3% jaar verloopt tusschen tijdstip van inhuur en ingebruikname.

Bij de ordonnantie van 1900 kon dit tijdsverloop, hoogstens 27 maanden bedragen.

Volgens de officieele toelichting is een en andergeschied „met „het oog op mededinging van door geen beperkende bepalingen „gebonden Inlandsche huurders".

Wel, als het der Regeering dan volle ernst is, met de z.g., „vrije verhuur" dan zou hier daardoor toch zeker een schoon gebied worden afgesloten voor vrije concurrentie, daar juist die mededinging een groote factor is voor de natuurlijke opdrij-. ving der grondhuurprijzen; zoodat vaststelling van minimumprijzen door de Regeering zelfs overbodig wordt!

Eene inhuring 3'/2 jaar te voren, zal de toestand in de desa niet minder, maar juist nog meer verward maken, nog meer ingewikkeld doen worden dan voorheen.

Een goede grondhuurordonnantie mag in geen enkel opzicht desorganisatie van het grondbezit ten gevolge hebben, iedere desorganisatie, hoe gering ook, heeft als gevolg „o n t v r e d e nh e i d."

Er is nog meer: Volgens de nieuwe ordonnantie wordt inhuur thans ook mogelijk zonder huurcontract. Hierbij kan worden volstaan, uitsluitend met „aangifte" te doen van den plaatsgehadhebbenden inhuur. De regeling zal gelden vooralle gronden, uitgezonderd voor „aandeelen in periodiek verdeelden grond of „met wisselende aandeelen in gebruik zijnde gemeentegronden" en slechts voor z.g. éénjarige contracten (art. 3 alinea 4.).

Sluiten