Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het ware beter, de „doctrinaire beginselen" overboord te werpen, en te erkennen dat goede wetten niet aan logische eischen van abstracte systemen moeten beantwoorden, maar wel aan de natuur der volken, waarvoor zij bestemd zijn. Het is juist de natuur van het volk, dat een algeheel loslaten hier nog niet kan wettigen. Economisch zwakken moeten door den staat beschermd worden, mogen of kunnen nog niet vrij zijn, zoolang die economische zwakte duurt.

-Wat vermag de eenvoudige landbouwer met zijn fraai grondhuurcontract, waarvan hij geen syllabe begrijpt, tegen de malversatiën van desahoofd, desabestuur, en tegen de macht van het grootkapitaal ?

Wat heeft eveneens de huurder aan eene Regeling,.die hem slechts paperassen rompslomp, geen tevredenheid, noch aan de verhuurders tevredenheid kan schenken?

De grondhuurordonnantie, zooals die thans is en was, gedacht in het stelsel der z. g. „vrije verhuur," berustende op de z. g. „vrije wilsuiting" van beide partijen, plaatst tegenover elkaar als geheel gelijkwaardige factoren, een economisch nog zeer zwakke partij, tegenover een economisch zeer sterke partij.

Dezestelling is niet gelijkwaardig; aan zich zelf overgelaten, moet de economisch zwakkere, ondanks de schitterende ordonnantie, ten slotte het onderspit delven.

Waar dergelijke verhoudingen bestaan, is het plicht der Regeering, om verder in te grijpen dan tot dusver is geschied; zoodat voor den economisch zwakke alle krachtsverschil wordt weggenomen, en een harmonische regeling, tot tevredenheid en voldoening van beide partijen mogelijk wordt.

Eene dergelijke harmonische regeling kan naar mijn volle overtuiging alleen bereikt worden, indien de bestaande bezwaren, fouten en wantoestanden, wortelende en geschapen door de tot heden ontworpen grondhuurordonnanties der Regeering, worden weggenomen.

Op welke wijze deze bezwaren kunnen worden overwonnen en weggenomen, op welke wijze wantoestanden naar m. b. m. zullen moeten verdwijnen, toonde ik reeds aan in 1900, in mijn artikel „theorie en practijk", nl. op bladz 408 en volgende.

Wat belet de Regeering om met de door mij voorgestelde regeling, als zij deze nog niet definitief aandurft, een proef te

Sluiten