Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werven. Natuurlijk komt het daarbij, evenals in elke overgangsperiode, vaak tot overdrijvingen naar beide kanten, welke evenwel vanzelf verdwijnen, zoodra ten slotte de ware cultuur de overhand krijgt, dat is dus, zoodra een ieder zijn leven overeenkomstig zijn gaven en aanleg weet in te richten.

De vrouw heeft dan ook in principe evengoed als de man het recht — vooropgesteld natuurlijk, dat zij waarlijk begeert doelbewust deel te nemen aan de ontwikkeling der menschheid — hetzij de haar door de natuur opgelegde taak: de voortplanting, hetzij de haar door de cultuur opgelegde taak: de ontwikkeling der menschheid, uit te stellen of te verwaarloozen om zich beter aan de andere te kunnen wijden.

Men heeft te minder het recht daarover een afkeurend oordeel te vellen, als men weet, dat het vermogen en de vrijheid van den mensch om zich binnen de gegeven zeer wijde grenzen op ieder willekeurig tijdstip aan zijn voortplantingstaak te wijden in principe de noodzakelijkheid eener beperking in zich sluit en zelfs het bewust afsnijden van een deel der oneindige voortplantingsmogelijkheid absoluut noodzakelijk maakt.

Het is dan ook de plicht van het gezond verstand om te beslissen, hoever en in welke richting deze bewuste beperking eener onbeperkte mogelijkheid zal moeten gaan, in aanmerking genomen het feit, dat de verhouding tusschen de qualiteit en de quantiteit der nakomelingschap over het algemeen omgekeerd evenredig is.

Behalve bij den mensch bestaat er in de overige organische wereld geen dergelijke kloof in het wezen van het vrouwelijk principe, eenvoudig omdat er elders geen reden is voor disharmonie.

De plant is, voorzoover wij weten, voor de verzorging zijner voortplantingsaangelegenheden alleen aangewezen op de min of meer gunstige uitwendige omstandigheden, en op invloeden van buiten, zooals zon, wind en regen.

Het zich-zelfstandig-bewegende dier regelt weliswaar de vervulling zijner voortplantingsplichten tot op zekere hoogte

Sluiten