Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat onmiddellijk uit hunne psychische verschijning blijkt. Hein is een en al opgewektheid en bewegelijkheid. Hij vindt het wel even onaangenaam, dat hij in een gesticht moet zijn, maar pas is hij er opgenomen, of hij begint dadelijk met alles vertrouwd te worden, hij doet niets dan vertellen, van de reis, en van toen hij nog thuis was, en zelfs ervaringen, die als regel een storend karakter dragen, vertelt hij meteen genoegen, dat aan de ervaringen zelf onevenredig is. De glimlach en de lach zijn geen oogenblik van zijne lippen, en wat een ander onaangenaam stemt, dat stemt hem prettig, -althans voor zoolang hij met het vertellen ervan bezig is. Hij is in zijn gevoel echter vatbaar voor critiek en. suggestie, en "over de dingen, die hij met zooveel wellust vertellen kan, •zal hij een oogenblik later ook kunnen spreken met iets dat bp ernst gelijkt, en dat onder gunstige omstandigheden bij hem te ontwikkelen is, zoodat er nog eenige aanleg voor zedelijke waarden bij hem bestaat. De zaak is, dat Hein een slappe secundaire functie heeft, zoodat de nawerking van zijne ervaringen maar heel kort duurt, wat op hare beurt weer tengevolge heeft, dat de eigenlijke werking van de ervaringen, dus de primaire functie, zeer vergemakkelijkt wordt, en zoodoende loopt het heele bewustzijnsproces met eene vaardigheid bij hem af, die elke inspanning overbodig maakt, hetgeen hem aangenaam stemt, en waardoor zijne Voortdurende opgewektheid is verklaard. Hoe geheel anders daarentegen is Willem. Die is heelemaal niet opgewekt, want bij Willem is de zaak precies omgekeerd. Bij Willem is d e secundaire functie taai en daardoor is de primaire functie bemoeilijkt, waardoor alles even zwaar en langzaam gaat, hetgeen hem zoodanig hindert, dat er voor blijvende opgewektheid geen plaats is in zijn bewustzijn. Ik ben niets waard, zegt hij, en schei nu maar uit, directeur, met al uwe pogingen, om mij beter te maken, want ik kan niet meer beter worden. Of ik niet beter zou willen worden, vraagt u? Kon ik maar willen, directeur, maar zelfs dat niet. . . o, het is zoo mis met mij . . . slapende doe ik nog verkeerd . . . en dan barst hij een oogenblik in huilen uit, waarbij hij ge-

Sluiten