Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kijk eens. Er komt eens in 't leven van elke schoolmeester een tijd, — laat het desnoods eerst na i 10 jaar praktijk zijn, — dat hij zich zelf in hoofdzaak gevonden heeft. Maar men kan veilig aannemen, dat hij vóór deze periode alle mogelike manieren, om, al heersende, zoo goed mogelik samen te leven met z'n klasse, heeft geprobeerd. Zo heb ik ook mijn tijden gehad, dat ik probeerde, of het principe: „lichamelik straffen is steeds verkeerd" doorvoerbaar was en of andere straffen niet beter zouden helpen. Mijn leerling K. heeft me echter weer op 't brede pad gebracht; de natuur is na verloop van tijd weer boven de leer gegaan.

Het was in 'n middelklas, dat ik *n ouwe dertienjarige achterblijver had overgeërfd, *n koppig type. Op 'n keer om 4 uur moest hij 'n stukje taalwerk overmaken op zli lei. Toen ik na 't wegbrengen van de klas weer boven kwam, hing hij gemoedelik scheef in de bank en de lei lag op de grond. Hij was nog zo goedgunstig, de lei wel voor me te willen oprapen. Maar inplaats van taalwerk stond er op: „Ik doen het toch niet". Publiek was bij deze voorstelling gelukkig niet aanwezig.

Ik begon, met hem heel gemoedelik er op te wijzen, dat dit toch eigenlik niet voor straf was, dat *t een vaste regel was en dat andere jongens 't óók moesten doen, als ze zo veel fouten hadden en dat ik hem niet anders kon behandelen. En ik vroeg hem, of hij dit niet met me eens was. O zeker, — maar Z. M. het kind had z'n reden al opgegeven, hij deed 't „toch niet" en daar bleef het bij. Nu verzekerde ik hem ernstig, dat ik dan wel zo lang zou wachten, tot hij alles netjes af had, al zou 't ook 5 uur of half 6 worden. Ik wachtte dus.

Om 5 uur (dus eigenlik al 'n half uur over de wettelik geoorloofde tijd; — de instruktie stond me dus niet eens toe, deze hoogst pedagogiese wachtmetode ten volle toe te passen —) had hij nog geen letter geschreven. Ik zei: „Ga je gang maar, vriendje" en ging 'n kaart op *t bord tekenen.

Tegen 6 uur kwam er 'n aanhoudend gemopper van: „Tóch niks skeile" en „Teuche me foader sjiche", waarvan

Sluiten