Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van verstandelike redenering poogt hij zich zelf nu gerust te

stellen, maar angst is 'n g e v o e 1 en gevoelens laten zich door

redenering niet verdrijven, hoogstens 'n poosje in slaap wiegen. *

Ik geef toe, dat die pessimistiese trek, die later de angstgevoelens zal oproepen, bij *n bepaald persoon wel reeds in aanleg kan bestaan. Maar ik meen daarnaast zeer stellig, dat, als die iemand zijn hele leven in de school moet doorbrengen, dan die overdreven uitwas er van veroorzaakt wordt door beroepsellende, — dat 't een vorm is van zenuwlijden, waartoe misschien andere vakken óók aanleiding kunnen geven, maar die door het schoolmeestersvak al heel stellig wordt verwekt en verder als 't ware systematies ontwikkeld. De oorzaak moet, dunkt me, oorspronkelik van lichamelike aard zijn. Als 't de „zenuwen" misschien niet precies zijn, die slijten, dan zullen er toch andere cellen moeten zijn, die ontijdig verzwakt of gesloopt worden. Als 't alleen verband hield met de innerlike aanleg, hoe is 't dan te verklaren, dat overdreven angstgevoelens en dergelike nonsens juist gaan optreden onder bepaalde voorwaarden en niet anders en niet eerder ? Om een voorbeeld te noemen: hoe komt het, dat ik juist in de loop van m'n schoolmeestersbestaan „kinderachtige" angst ben gaan gevoelen voor dingen, waar ik vroeger om lachte? Was ik dan vroeger zo'n „held"? Neen, alleen: ik was gezonder en had 't zelfvertrouwen van 'n gezonde, benevens 't daarbij behorende optimisme en vooral het normale uithoudingsvermogen; ik kon met alles meedoen. Toen is de ellendetijd gekomen: schoolmeesteren boven m'n kracht en tegelijkertijd „studeren" voor de hoofdakte, — ziekte en nog eens ziekte en daarna weinig veerkracht meer, — sterk verminderd uithoudingsvermogen, — en in plaats van de vroegere sterke drang naar lichaamsbeweging een voortdurende behoefte aan rust. Daarmee is gepaard gegaan een vermindering van zelfvertrouwen (wat m.i. nog zo onlogies niet is, als dat „zelf" veel minder betrouwbaar blijkt dan vroeger) en als natuurlik gevolg: pessimisme, d.w.z. óók geen vertrouwen in de goede afloop van dingen, waar we zelf géén invloed op hebben. 32

Sluiten