Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lende voorbeelden kunnen aanhalen van wat wij meestal „hoofdenwaan" noemen. Eveneens zouden vele hoofden staaltjes kunnen bijbrengen van wat zij voelen als 'n soort hoogst ongepaste aanmatiging, om niet te zeggen brutaliteit, van de kant des onderwijzers. Dat is het gevolg van 't ongelukkige stelsel, dat twee mensen tegelijkertijd baas maakt op 't zelfde terrein, de een krachtens de wet, de ander krachtens de werkelikheid. Ik wil echter niet de schijn op me laden, pijlen af te schieten van uit mijn anonieme schuilhoek op een man, die ik lange jaren als hoofd heb gehad. Ik zal mij daarom bepalen tot één kwestie, die vrij zuiver principieel is en de zaak, waar 't om gaat, goed typeert. De kwestie was deze:

Als wij met onze klassen over de gang liepen in 't vrij kwartier of aan 't eind van de schooltijden, dan kwam dikwels het hoofd en ging door blikken, gebaren, houdingen en soms rechtstreekse opmerkingen aan onze leerlingen „meehelpen, de orde te handhaven", terwijl wij onderwijzers er bij liepen.

Het feit, waar 't over gaat, kies ik mede, omdat ik niets ga „onthullen". Toevallig binnenlopende autoriteiten hadden het immers kunnen konstateren. Bovendien handelde dit hoofd op deze manier met volle overtuiging en hij was man genoeg, om voor zijn overtuiging te staan. In zekere zin heb ik voor hem dan ook meer respekt dan voor de „goeie" hoofden, die hun dikke salaris opstrijken voor een baantje, dat ook dwars tegen hun overtuiging ingaat (altans heel dikwels inging tot op de dag, dat ze voor 't laatst als kollega's naast ons liepen).

Welnu, — mijn hoofd dan had natuurlik veel aanvallen over dit optreden te verduren van mij en anderen, maar 't resultaat was, dat hij bleef menen, dat hij „voor zijn deel op déze manier moest meehelpen, de orde te bewaren en dat dit was in 't belang van de school". Zo luidde vrij wel woordelik zijn motivering. En ik wil hier verklaren, dat ik geloof, dat hij dit meende.

Alzo was onze strijd, — ik herhaal 't, — zuiver principieel, maar daarom niet minder bitter (van mijn kant ten 43

Sluiten