Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lief Pleuntje, heel vroeg opgestaan, Haar gouden ijzers aangedaan En 't fraaist van moeders doeken, Heeft negen vrijers om zich heen En loopt toch immer nog alleen Te wachten en te zoeken.

En onder al dat feestgerij Niets dat baloorig is dan gij, Gij wilt niet zien of hooren, Met d'admiraalsvlag hoog in top, De viezevazen in den kop, Den bokkenpruik om d'ooren.

Poot.

O wist gij welk een wondre drang Naar blijder leven, licht en klang, Mijn ziel mij houdt bevangen, Een breeder veld, een wijder slag, Een heller gloor, een voller dag, Een lent van lust en zangen.

Wat moet een dichter in Abtswou?

Dit kleine, leege leven zou

De liedren doen vergeten.

Al wat mijn hart aan goeds bevat

Trekt uit, naar buiten, naar de stad

In droomen ongemeten.

Daar uit mijn venster, heel, heel wijd, Daar zie ik Delft, mijn zaligheid. Mijn hoop en zoet verblijden, En 's nachts al mijmrend opgestaan Zie 'kvaak het koele licht der maan Langs wal en torens glijden.

Weerhoud niet wat mijn hart mij dwingt. Eén liefde is 't maar die in mij zingt, Mijn hoogste kracht te geven. Zij wil uit daagsche slaverij, Van neergebukten kommer vrij, Zich storten wild in 't leven.

Sluiten