Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE TOONEEL. Pleuntje. Bartelsz.

Pleuntje.

Wat willen zij van Huibert dan ?

Wie zijn die vreemde lieden ? Mijn hartje ach! slaat zoo bang ervan

Als wilde 't leed bedieden!

Bartelsz.

Die eerste is wel een heel groot heer.

Men merkt het aan zijn koorden, Zijn gespen en zijn kanten kraag, Die fijne lubben op zijn maag,

En aan zijn mooie woorden.

Die tweede is wel een kapitein, Die voert het volk ten strijde, Met reigersveeren op den hoed, En zilvren sporen aan den voet, Den degen aan zijn zijde.

En d'oudste met het grijze haar

En met zijn kale kleeren: Dat zal wel een perfessor zijn, Lijk die in Leiden het Latijn

En 't wijze praten leeren.

Pleuntje.

Wat willen zij van Huibert dan?

Wat doen zij in Abtswoude? Mijn hartje och! slaat zoo bang ervan Alsof 't maar niet bedaren kan

En ik nog schreien zoude.

VIJFDE TOONEEL. Vorigen, Poot. Poot.

Wat hoor ik? Kwamen heeren hier, Om mij, om mij te vinden?

Van wonder, vriend, verga ik schier.

Mij is 't als gaf die tafel bier En zonneschijn die linde!

Sluiten