Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bartelsz.

Drie heeren waren 't uit de stad.

Gij kunt hen hier verwachten. Hier kruisen alle wegen toch. Mij dunkt, ik hoor hun stemmen nog,

Maar vraag naar hun gedachten.

Poot.

En Pleuntje, die te wachten staat?

Cij zijt niet mee aan 't zoeken ? Wat zijn je wangen rood, mijn kind! Dat komt wel van den frischen wind

En van die warme doeken 1 (tot B.)

Kom, haal ze hier; het duurt mij lang, (B. af.)

Hoe vreemd zijn 's werelds dingen! Ik hoor de vogels in de lucht. De linde maakt zoo zoet gerucht,

En 'k hoor het windje zingen.

Wat zijn jouw oogen rood, mijn kind 1

Hoe glanzen zij en gloren! Nu zie of 't zich ten goede wendt! Dus kwam nu 'tlange leed ten end?

Is mij de vreugd herboren?

Wat zijn jouw oogen vochtig, kind,

Wat kon jou kwaads gebeuren ? Dat mij nu heil geschieden wil Maakt jou dat droevig, jou dat stil, Alsof je erom moest treuren ?

Wij zijn toch goede vrienden, Pleun, Ook als ik heen zou varen?

Terwijl ik nooit vergeten zal,

In alle tijden, overal,

Hoe goed wij zamen waren!

Pleuntje.

Ik weet niet wat mij schreien doet, Als was er iets gebroken!

Sluiten