Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gemeenschappelijke land- en zeemacht — Nederlandsch koloniaal bestuur — dat zal het Nederlandsch-Duitsche bondgenootschap zijn. (Die Alldeutsche Bewegune und die Niederlanden, 1897).

Vrije handel met Nederland en België. Economisch zijn zij reeds homogeen met het Rijk. De voorstellen van onze kleine naburen tot economische aansluiting willen wij welwillend afwachten. In elk geval zal het onze zaak zijn den Rijn een Duitsche uitmonding te geven. (Die deutschen Reichshöfen und das Zollbündnisz mit den Niederlanden (1899).

Het sterkst spreekt, met het oog op de huidige omstandigheden, dit:

België en Holland zullen moeten begrijpen, dat de naderende oorlog over hun toekomst beslist. Er zou alles voor te zeggen zijn, dat zij aansluiting zochten. Voorloopig schijnt het dat zij, op onverstandige manier, naar de tegenstanders neigen. Zij zullen ons echter even lief zijn als de dvvarshoofdige Alemanen van den Elzas. Al zullen zij waarschijnlijk dezelfde fout maken als Hannover in 1866 en zich tegen het Rijk verzetten. Toch garandeeren wij hun bestaan. Dit ware verloren, wanneer wij overwonnen mochten worden . . .

Wij zullen dus, zoodra het naderend Europeesch conflict met Engeland en Frankrijk zal zijn opgelost, de twee landjes voor de keus stellen. Worden zij ten statte nog verstandig, dan kunnen zij bondsstaten worden. Anders worden zij bij Pruisen geannexeerd. In elk geval moeten de koloniën onder beheer van het Rijk gesteld worden. (Daniël Frymann).

Tot slot.

Hollands gebruiken en zeden, wetenschap, kunst, godsdienst zijn een aanhangsel van Duitschland. (Prof. Dr. Adolf Lasson te Berlijn).

In die uitingen blijkt dus dat de Duitschers de historische betrekkingen tusschen Duitschland en Nederland weder zoo nauw willen aanknoopen, als vroeger ooit bestond; en inderdaad die historische betrekkingen zijn eenmaal zeer nauw geweest. Maar de historische ontwikkeling van beide landen is ten eenemale verschillend.

Sluiten