Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergunning om zijn landgoed te Ardetri, dicht bij Florence te betrekken. (A) Hij mocht geen voorlcingen of groote gezelschappen houden of andere teekenen van ongehoorzaamheid geven. Bezoeken van verwanten of vrienden waren echter niet verboden, mits zij geen verdacht verwekten, zooals de Paus aan NiCEOLlNi zeide. (8)

Galilei meende nu zijh laatste levensjaren in stil genot en rust te kunnen slijten; hij had nog grootsche plannen om verschillende onderwerpen der natuurkunde te behandelen. Tegenspoed klopte echter aan zijn deur. Hartkloppingen met neerslachheid en slapeloosheid ondermijnden zijn krachten. De dood van zijn innig geliefde dochter, Zuster Celesta, trof hem zeer en de losbandigheid van zijn zoon berokkende hem veel verdriet. Zijn gezicht verzwakte langzamerhand, tot hij in 1638 geheel blind werd. Onhandige vrienden bedierven de welwillend gezindheid van Rome's Hof voor Galilei. Men betichtte hem bij het Heilig Officie, dat hij gedurende zijn verblijf te Siena „minder katholieke opinies" had verspreid. (3) Galilei gevoelde behoefte aan nauwlettende verzorging en wenschte niets vuriger dan van zijn straf ontheven te worden. Door zijn leerling Castelli het hij bij de kardinalen van het H. Officie verzoeken om vrijspraak van zijn straf en om zich te Florence te mogen vestigen. Het werd hem geweigerd. Toch liet de Paus door den Inquisiteur Fanano een onderzoek naar zijn gezondheid en omstandigheden instellen. Op een gunstig verslag van fanano, 13 Februari 1638, vergunde Urbanus VIII aan Galilei om zich te Florence te vestigen onder beding, dat hij zich niet buiten de stad zou begeven, noch zich met iemand over de verboden meening onderhouden. (*) 'Galilei's brieven uit dit tijdperk weerspiegelen de droeve en bittere stemming van zijn gemoed. (5)

Deze gedruktheid en kommernis weerhield hem niet in 1638 te Leiden zijn boek DialogfU delle tiuoiïe Sfienze, op

(!) Proces, 534.

;(*) Le Opere, IX, 407.

(3) Von Geblèr, 1. c. 172. — Préces, 547.

(4) Von Geblèr, 1. c. 179. — Proces, 555. — Le Opere, X, 285. 287, 2O0.

(a) Le Opere, X, 35; VII, 46.

Sluiten