Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die tegenslahdérs vele godgeleerden. Maar vele godgeleerden stonden ook aan de zijde van Galilei. Hij had aanhangers onder de Jesuieten, evenals in de andere religieuse orden. Zonder grond beschouwden Galilei en zijn vrienden de Jesuieten als de heftigste drijvers van de processen, die tegen hem gevoerd werden. (*) De kern der oppositie tegen hem bestond uit de peri patetische wijsgeeren en de sterrekundigen, die het stelsel van ptolemeus aankleefden. Zonder mededooigen, met volle heftigheid en onstuimigheid had Galilei hen vervolgd en aan de kaak gesteld; Was het wonder, dat hij zich onder hen onverzoenbare vijanden berokkend had? Immers, wordt de eigenliefde van de wetenschap beleedigd, dan vergeeft zij aeer ongaarne.

„IJver voor den godsdienst," zoo schrijft een geschiedschrijver der sterrekunde, „was slechts de dekmantel voor deze venx>lging. Men wilde Aristoteles en de oude wijsbegeerte wreken. De geschiedenis moet alles zeggen om geheel rechtvaardig te zijn; men moet deze vergissing niet beoordeelen in het licht van onze eeuw. Het stelsel van Copernicus had toen alleen in Duitschland aanhangers; zij waren niet tabrijk ... Het meerendeel der sterrekundigen was van een tegenovergesteld gevoelen. De rechters telden de stemmen, maar wogen ze niet. De letter der teksten uit de H. Schrift schijnt met dit stelsel in strijd te zijn; voor de Kerk er toe overging om ze in een figuurlijken zin op te vatten, moesten de geleerden daarmede overeenstemmen en moest de waarheid algemeen erkend worden." (Bailly, Histöire de l'astronomie moderne, t. II, p. 131—132, Paris 1779).

De tegenstanders hadden overigens vrij spel om de partij tegen Galilei op te nemen. Wij willen gaarne aannemen, dat GaliLei de waarheid van het systeem van Copernicus door zijn gemalen geest als bij intuitie doorschouwde, maar hij voerde slechts zwakke of gebrekkig voorgestelde bewijzen aan om zijn ■geweten te verdedigen. (Men vindt deze bewijzen bij Figuières, Galilei et ses juges, Aix 1882, p. 33—34). „De redenen 01» de beweging der aarde te bewijzen," zoo schreef Descartes, „zijn zeer goed, maar mij dunkt, dat galilei ze niet voorstelt, zooals het 'behoort, om te overtuigen." (Oeuvres de Descartes, t. I. p. 305). Laplace beschouwt die redenen als „analogieën" (Laplace, Essai sur les probabilitès, Paris 1820, p. 247). Een — €

(i) J. B. Jaugjey, Le Prpcès de Galilei ei ld; titêologie. p. 32.

Sluiten