Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

löe't zulk een Vervaarlijke snelheid om de zon en om zijn eigen as wentelen zou, noodzakelijk een zeer hevigen storm veroorzaken. Geen mensch zou op zijn voeten, geen boom in den gprond kunnen blijven staan. Alles moest om/waaien, ja, de ganscbe aarde glad geslepen worden. Wijl zich deze verschijnselen niet voordeden, zoo was dit het duidelijkste en onomstootelijkste bewijs van den volstrekten stilstand der aarde. Eene verdere bedenking vond men in het feit, dat een in de lucht loodrecht opgeworpen lichaam op dezelfde plaats der aarde nedervait, vanwaar het opgeworpen werd. Want was de aarde werkelijk in beweging, dan zou zij zich door hare onbegrijpelijke snelle wenteling, gedurende den tijd, die er tusschen het opwerpen en nedervallen verliep, reeds ver verwijderd hebben van het punt, waar het voorwerp in de hoogte was geworpen, en dit moest derhalve op eene geheel andere plaats der aarde nedervallen. De waarneming bewees het tegendeel en was dus in strijd met de nieuwe leer.

Deze verschillende tegenwerpingen kon Galilei, die over den dampkring dezelfde valsche begrippen had als zijne tegenstanders, onmogelijk voldoende oplossen. De herhaalde polgingen, Welke hij daartoe aanwendde, gaven hiervan het duidelijkste bewijs. Zoo zocht hij onder anderen in zijn Dialoog de laatstgenoemde . moeilijkheid te verklaren door de veronderstelling, dat de bergen de luchtlagen, welke tusschen hen bevat zijn, in hunne omdraaiing met zich medenamen. Deze luchtlagen moesten volgens hem, hieraan te eer gehoorzamen, omdat zij als vermengd met dampen, rook en andere aardsche stcffen eenigszins tot de aarde schenen te behooren. De gestadige luchtstroomen, welke het noodzakelijk gevolg van deze beweging zouden zijn, verklaarde hij door de passaatwinden; eene uitlegging die niet alleen door alle latere natuurk indigen verworpen, maar ook door zijn tijdgenoot Baco van Verulam gewraak. werd. Galilei stelde alzoo de eene ongerijmdheid in de plaats van de andere. Deze te dien tijde onoplosbare bezwaren maakten, dat de grootste geleerden onder Galilei's tijdgenooten Baco van Verulam, TYCHON-BRAHé, Grassi, Kircher, RiCCiOLI enz. enz. tegenstanders van het Copernicaansche stelsel waren. Toen derhalve de kardinalen van het H. Officie het genoemde stelsel als „valsch in de philosophie" qualificeerden en veroordeelden, spraken zij het gevoelen uit, dat in die dagen op redelijke gronden steunde en door de voornaamste «nder hun tijdgenooten gedeeld werd. Er is dus in hun handelwijze niets, wat onze afkeuring zou verdienen;. Daarenboven betrachtten zij bij hun vonnis de grootste gematigdheid en voorzichtigheid. Want daar de leer van Copernic us,in weerwil van de.gewaande ongerijmdheden, welke zij op de aarde veroorzaakte, toch deze goede zijde had, dat zij met de verschijnselen aan den hemel in overeenstemming was, stond de Congregatie van den Index haar gebruik als hypothese toe. „Zij werd toegelaten", zegt de Jeznjet RiCCiOLI — eender

Sluiten