Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo kort duurt, en het nu maar van alles genieten moet wat er te genieten valt."

„Anne Marie! Anne Marie 1" klonk een stem vanuit het huis — „zijn jullie buiten? Wacht, ik kom ook."

Een tweede meisje kwam den tuin in. Zij was het, die precies op hare moeder geleek, hetzelfde mooie, kroezende zwarte haar, dezelfde schoone gelaatstint, dezelfde donkere oogen. Alleen was zij zwaarder gebouwd en veel langer. De TollvanWaverens waren altijd bekend geweest om hun lichaamslengte. Ze was mooier dan haar zuster, vonden de menschen, die 't weten konden, daarentegen had de andere meer charmes, omdat ze vroolijk en levendig was; deze had iets melancholieks in haar donkere oogen en ze was eer stil en langzaam in hare bewegingen.

„Wat mooi weer!" riep de aankomende al uit de verte. „Nu kan ma Michon genieten en uitgaan op elk oogenblik van den dag, nu zal ik eens mooie bloemen plukken, om op uw kamer te zetten. Wat wilt u hebben, zoo n paar takken van den magnolia? Die zullen mooi uitkomen in de donkergroene vaas!"

Zij had zich tot hare moeder gewend, maar deze antwoordde in 't geheel niet en keek in de lucht, alsof zij daar o zooveel zag.

Het meisje sneed nu met een groote schaar eenige takken af van den tulpeboom.

De zieke echter, met die eigenaardige ontevreden stemming, aan geesteskranken eigen, zeide op klagenden toon: „Soeurette, je moet die groote bloemen niet afplukken, die vallen gauw uit."

„Pluk liever deze narcissen!" zeide nu hare zuster. „Ma Michon vindt alles, wat gauw uitvalt, zoo droevig."

„Best" - vond Soeurette - „dan zet ik deze bloemen op onze kamer. Ze vallen niet zoo gauw uit, als je er maar goed voor zorgt."

Sluiten