Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

riep op guitigen toon: „Wij gaan Vrijdag, Onkeltje, naar je weet wel wie, die den goeden raad uitdeelt en den goeden smaak heeft en die ons zeker bepreeken moet."

Soeurette gaf haar een teeken dat zij zwijgen moest, haar wijzende op de beide aangrenzende tuinen. Nu liepen ze weer door, stijf gearmd. De notaris vervolgde zijn weg, maar het geluid van haar vroolijke stemmen had hij nog lang in, de ooren en toen hij de trap afdaalde, zuchtte hij.

Het bezoek bij Juffrouw Rijnvelt liep tot niemands bevrediging af, dan tot die van Lieske, het loopmeisje.

Juffrouw Rijnvelt had haar best gedaan, ze had overal in haar kamer bloemen gezet, zij had lekkere koekjes gekocht en haar theetafel zag er meer dan smakelijk uit. Ze was demeisjes zelf van de tram gaan halen, had haar het geheele huisje laten zien, ze hadden den ganschen tijd druk door gepraat maar niemand was iets wijzer geworden. Anne Marie was er in een Zondagsche stemming heêin gegaan, zooals ze Soeurette lachend meedeelde.

Dan leek ze geheel iemand anders, dan was ze weinig; spraakzaam en zoo gedwee en volgzaam, alsof ze het zachtzinnigste schepsel van de wereld was, dan hadden hare lichtblauwe oogen een zóó kinderlijk vragende uitdrukking, dat het een ander ontroerde, dan keek ze heel ernstig, viel niemand in de rede en luisterde aandachtig naar hetgeen er gezegd werd.

Juffrouw Rijnvelt behield dan ook van haar een bijzonder goeden indruk: „Een meisje, waar nog alles van te maken is," vond ze. Ze kon best begrijpen, dat het dikke, oude heertje trotsch was op zijn nichtjes. Hij had er waarlijk niet te veel van gezegd. Het was een genot naar ze te kijken, zoo jong, zoo gezond en zoo vroolijk, zooals alleen de zeer jongen van hart nog zijn kunnen. Hoe zou het leven haar behandelen? Ze zou ze gaarne willen helpen, maar het was.

Sluiten