Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

barsten, want Steven spreekt het op zijn platst; hij kan ook Hollandsch spreken, maar dat bewaart hij' alleen voor den tijd, als hij in functie is.

„Aardig !" zegt mevrouw Steenbergen, „dat er een paar

meisjes hier op het dorp komen wonen, dat is voor jou, Ilse, een heele aanwinst."

Ilse wordt natuurlijk vuurrood, vooral nu ook de jonge dokter haar aankijkt en ze antwoordt snel: „U weet nog niet mama, of ze niet veel jonger zijn dan ik en of ze het wel prettig zullen vinden met mij om te gaan, ze zullen zoo'n heel ander soort meisjes gewend zijn. Ik ben maar een provinciaaltje."

„De laatste mogelijkheid is geheel buitengesloten," zegt de dokter ernstig, „de eerste zou kunnen bestaan, maar ik zou zoo denken, dat, als men eenmaal'boven de twintig is, een jaar of twee niet zooveel verschil zal maken."

„Weet u ook, of zij lid van onze kerk zijn en trouwe kerkgangers?" vraagt de dominé's vrouw nu. Zij is altijd zoo blij, als er menschen op het dorp komen wonen, die trouw de kerk bezoeken en die aan de gemeenteleden het goede voorbeeld geven.

De dokter antwoordt dat hij het niet weet, en plagend zegt hij, dat hij volkomen tevreden was, toen hij hoorde dat het klanten van hem zouden zijn, en toen vergat, te informeeren naar de klandizie van den dominé.

Mevrouw Steenbergen heft weer vermanend haar vinger op, en de dokter beweert, dat hij nu groote haast krijgt, als mevrouw zoo donker kijkt. Hij vraagt eerst nog aan Ilse, of ze dien ochtend nog bij mijnheer Greve is geweest, den brommigen, ouden heer, die aan den straatweg woont: „als u eens behoefte hebt, over u zelf heel wat goeds te hooren, moet u daar eens achter de deur luisteren. Hoe dikwijis hij beweert, dat u een engel bent, weet ik niet, ook niet hoe dik-

Sluiten