Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Septembermaand voor haar wilden openhouden. Zij zou niet lang blijven, had zij laten weten, het buitenleven vond zij afschuwelijk en zij begreep niet hoe de notaris er toe gekomen was, haar daar, ver van de samenleving, op te sluiten.

Als Soeurette later aan dien tijd dacht, scheen het haar, alsof met de komst van hare tante *een mooi zonnig stuk van haar leven was afgesloten.

Het eerste dat zij hoorden, toen de groote zware elegant gekleede vrouw uitstapte uit het eenige rijtuig, dat het dorp bezat, was: „Mijn hemel, kinderen, welk een woestenij 1 Ik geloof heusch dat in dit afschuwelijke vervoermiddel mijn aigrette geknakt is."

De witte pluim op haar hoed zat werkelijk scheef, en de kleine kamenier, die achter haar meesteres het rijtuig uitgewipt was, droeg zorg ze weer recht te zetten.

Anne Marie had moeite zich goed te houden; tante Versteynen sprak nooit een zin uit, zonder op het een of andere woord, gansch ongemotiveerd, den klemtoon te leggen.

Toen zij later alles had bekeken, moest zij wel toegeven dat het huis prettig, bewoonbaar en keurig ingericht was, maar toen zij 's avonds in de gezellige zitkamer zaten thee te drinken en zij de moeder boven, weer haar klagende Fransche liedjes hoorde zingen, ontviel haar opeens: „Natuurlijk heeft hij het voor haar gedaan, zeer begrijpelijk. Maar hij had jullie er toch niet aan mogen opofferen, dom van hem ook, hij was veel eerder van jullie afgeweest; in de stad heb je meer gelegenheid een goed huwelijk te doen."

„Wie bedoelt u?" vroeg Soeurette, verbaasd hare tante met open mond aankijkend, en den ouderwetschen, zilveren theepot onzacht neerzettende op het dunne, porseleinen schoteltje.

Mevrouw Versteynen leunde achterover in een gemakkelijken stoel, zij had een miniatuur handwerkje op haar schoot liggen.

Sluiten