Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel, niets 1 Wat kannen we doen ?"

„We moeten wat doen, denk eens hoe lang we hem al tot last zijn geweest."

„Tot last?" herhaalde Anne Marie, de woorden lang uithalende. „Kom, nu zie je alles even donker in. We moeten de dingen nu niet te zwaar opnemen; we zullen Onkeltje nooit meer om onnoodige dingen vragen. We zullen trachten heel zuinig te zijn, garen handschoenen dragen als we naar de kerk gaan, en stijve, zwarte japonnen bestellen, die met ons verjaren en verkleuren." Toen barstte zij in lachen uit en herhaalde vroolijk: „En Onkeltje, die altijd wil dat wij er zoo mooi mogelijk uitzien !"

Soeurette antwoordde niets meer, hier stond — zij had het maar al te dikwijls gevoeld in den laatsten tijd — de vroolijke, oppervlakkige Fransche geest, tegenover het zwaarmoedige, zwaartillende karakter van den Nederlander. Anne Marie had van haar moeders kant de Fransche karaktereigenschappen geërfd, en zij zelf was een echte Toll van Waveren. Die waren altijd stille, ingetogen menschen geweest, die zich niet gemakkelijk over de dingen heen konden zetten, die een sterk gevoel van eer hadden, getuige hun spreuk: „Boven alles de eer."

En haar vader dan ? Soeurette bedekte het gelaat met de handen, en er was een bitter gevoel in haar hart, iets, dat haar daar van binnen pijn deed, als had zij er een wond. Zij zou er niet met Anne Marie over spreken, die had het misschien niet eens opgemerkt, of dacht er niet meer aan.

Toen zij opstond van den ruststoel, was er een vastberaden trek om haar mond. Tot Anne Marie zeide ze, dat deze maar alleen naar bed moest gaan, omdat ze nog een heeleboel te schrijven had.

Anne Marie huppelde al weer door de kamer en verzekerde vroolijk, dat Soeurette geen geheimen mocht hebben, en dat ze van plan was, al hare brieven te spellen. „Ik heb vier

Sluiten