Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben, daar had ik al heel gauw alles van begrepen. Het was wel drie kwartier loopen waar je heen moest, nu, ik had ook lust in een langen tocht, ik spande Kokko in en reed een heel eind de bosschen in. Je weet het wel Soeurette, eerst ga je de hei over, als je aan het eind van het dorp bent op de kromming van den weg, en dan kom -je in de mooie bosschen. „Herinner je jé nog dat wij een tijd geleden het mooie, kleine kasteel ontdekt hebben, dat in het water ligt? Daar kom je aan, als je de bosschen door bent en weer op den straatweg komt. Toen hebben wij daar ook rondgeloopen. Weet je nog hoe we daar op de slotbrug zaten en ons voorstelden dat wij de slotjonkvrouwen waren, die uitkeken naar de ridders die uit den strijd kwamen?"

Soeurette knikte en viel haar in de rede: „De tuinmanswoning ligt ter zijde, en daar was het zieke meisje, dat voor, het raam lag, en met wie wij toen een poosje gepraat hebben."

„Juist, het zieke meisje was er nog en ik praatte weer een poosje met haar en de moeder kwam er ook bij. Ik liet Kokko, die zich den geheelen weg als een engel heeft gedragen, grazen op een grasveldje aan den overkant. „Ik vroeg haar, waarom het kasteel vandaag open was — het zag er in eens zoo bewoond uit."

„De jonker is vandaag over voor de jacht," zei de vrouw, „hij is den geheelen dag met mijn man er op uit, 't zal wel avond zijn eer ze terugkomen."

Een vuurroode blos bedekte bij deze woorden het gelaat van het jonge meisje en Soeurette legde onwillekeurig de hand op haar hart, alsof ze wilde zeggen: „wat zal er nu komen?" en de kleine notaris fronste de wenkbrauwen.

„Herinner je je nog Soeurette, dat we het 't kasteeltje van den boozen ridder noemden ?" zoo ging de stem verder, bij den open haard. Anne Marie keek nu niet meer naar den

Sluiten